|
Grondboor & Hamer Extra is bedoeld om meer achtergrondinformatie
te bieden bij artikelen die gepubliceerd zijn in ons tijdschrift
Grondboor & Hamer, of
uit ruimtegebrek niet geplaatst konden worden.
Het gaat hierbij om bijvoorbeeld literatuurlijsten,
boekbesprekingen, foto's of weblinks. Hieronder wordt per uitgave
de extra informatie gepresenteerd.
Overzicht boekbesprekingen:
De Bosatlas van ondergronds Nederland.
De geschiedenis van het leven deel 8a en 8a-bis.
J.F. Geys.
Fossilien sammeln (2007) und auf Fossilliensuche
(2008)an der Ostseeküste Andrea Rohde.
Het energielandschap, door Tom Bade.
Inland drift sand landscapes, door het energielandschap,
doorJosef Fanta & Henk Siepel, 2010.
STARINGIA 13 "Fossiele Cephalopoden van Nederland, doorPeter de Ruiter, 2012.
Vijf wijstreservaten in Noord-Brabant, door Nico
Ettema.
Overzicht literatuurlijsten bij:
Flevum Aelmere Almari Zuiderzee IJsselmeer.
G & H 2009 3/4
Boekbespreking Staringia 13, Fossiele Cephalopoden van Nederland onder de titel: "Koppotigen voor de liefhebbers" door Peter de Ruiter, 2012
Nederlandse Geologische Vereniging. 229 pag. full colour, ill, 44 platen met afbeeldingen en veel foto's.
ISBN/EAN: 978-90-806769-0-9 (Nederlands) Prijs EUR 20,00
Koppotigen voor de liefhebbers
De Nederlandse Geologische Vereniging (NGV) heeft als nummer 1 van jaargang 66 van haar tijdschrift ‘Grondboor & Hamer’ een nieuwe
Staringia (nr. 13) uitgegeven. De Staringia-serie heeft als doel bepaalde onderwerpen uit de geologie of de geschiedenis van de geologie
in detail te belichten.
Misschien is nr.10, de vertaling uit het Latijn van het ‘Academisch Proefschrift over de geologie des vaderlands’ uit 1833 van W.C.H. Staring,
de betovergrootvader van de Nederlandse geologen, het meest bekende nummer in deze serie.
‘Fossiele Cephalopoden van Nederland’ is de bescheiden titel van deze kleurrijke uitgave. In eerste instantie was ik verbaasd. Wat ik van
koppotigen weet, heb ik geleerd op school en bij de colleges in Leiden van Prof. Boschma; wat ik niet wist, is dat er in Nederland,
ook buiten de bekende groeves van Zuid-Limburg en Winterswijk, zoveel verschillende soorten cephalopoden – vaak slordig op een hoop
gegooid als ‘ammonieten’ – gevonden zijn. Maar, zo blijkt al gauw, dit boek gaat niet alleen over de ‘in situ’ fossielen, maar ook over
zwerfstenen die uit het noorden, oosten en zuiden, door ijsmassa’s of rivieren naar Nederland zijn vervoerd en hier tot rust zijn gekomen.
De leek, zoals ik, denkt bij het woord zwerfsteen voornamelijk aan de imponerende, uit het noorden door het ijs meegenomen grote keien,
bestaande uit plutonisch en metamorf gesteente, maar dat is niet de gehele waarheid. Er zijn ook veel sedimentaire, tijdens het transport
afgeronde brokken en brokjes steen afkomstig van de bergstreken in Duitsland, België en Frankrijk, met daarin soms goed herkenbare en
determineerbare fossielen, waaronder Cephalopoden.
Nederland is tenslotte de geologische stortplaats van West-Europa en allochtone stenen mogen ons niet verbazen. Interessant is dat alle
ordes van de klasse der Cephalopoden gevonden zijn in de Nederlandse zwerfstenen en dat de geologische tijdvakken van Carboon tot jong-Tertiair
door Cephalopoden vertegenwoordigd zijn.
In 1993 werd er binnen het NGV een ‘ammonietenwerkgroep’ opgericht en de leden daarvan zijn de bedenkers en schrijvers van Staringa 13, een
nummer dat voor de Nederlandse ammonietenliefhebber, specialist of niet, een ‘must’ is.
Het boek bestaat uit delen van zeer ongelijke grootte. Het eerste deel (14 pp.) biedt een uitstekend geďllustreerde uiteenzetting van de anatomie
van de Cephalopoden en de criteria voor het determineren van de verschillende soorten of genera. Het hoofdstuk ‘Zwerfstenen en verzamelaars’ (8 pp.)
bespreekt, met behulp van heldere tekst en kaartbeeld, de oorsprong en de verspreiding der zwerfstenen in het huidige Nederlandse landschap.
Veruit het dikste deel van het boek (165 pp.) is besteed aan een gedetailleerde beschrijving, vergezeld van prima foto’s, van verschillende in
Nederland aangetroffen genera en soorten. Een uitgebreide literatuurlijst en een viertalige begrippenlijst besluiten dit voortreffelijke boek.
Zeer aanbevolen.
Peter de Ruiter
Boekbespreking door
A.J.(Tom) van Loon: Inland drift sand landscapes,
door het energielandschap, doorJosef Fanta & Henk Siepel, 2010
KNNV Uitgeverij, Zeist. Genaaid gebonden, hardcover, 484 blz. Prijs
EUR 49,95 (te bestellen via www.knnvpublishing.nl). ISBN 978-90-5011-350-2.
De titel doet het niet vermoeden, maar dit boek gaat bijna uitsluitend
over Nederlandse stuifzanden. Dat is op zich niet zo verwonderlijk,
want in bijna alle landen waar stuifzanden voorkomen, bestaat het
grondgebied grotendeels uit hard gesteente; en dat trekt nu eenmaal
meer belangstelling dan een pakket dat - letterlijk - als los zand
aan elkaar hangt. Nederland is wat het harde gesteente betreft niet
zo bevoorrecht, en daarom is juist hier altijd veel aandacht besteed
aan de onverharde pakketten die vrijwel ons hele land bedekken, en
die bijna allemaal van pleistocene of holocene ouderdom zijn. De stuifzanden
ontstonden tijdens de overgang van Pleistoceen naar Holoceen. Ze danken
hun ontstaan grotendeels aan de sterke windactiviteit die het nog
koude, vrijwel geheel onbegroeide zandpakket dat was afgezet door
smeltwaterstromen opwoei en elders weer afzette, vaak in de vorm van
duinen (waarvan inmiddels de oorspronkelijke vorm verloren is gegaan)
en ruggen. Grote delen van het gebied voor de ijskap die zich na de
laatste ijstijd terugtrok, werden omgevormd tot stuifzandgebieden.
Het ging om onvruchtbare gronden, die in de loop der tijd bijna overal
door de mens zijn ontgonnen, vooral ten behoeve van kleinschalige
landbouw, zodat er van de ooit enorme stuifzanden in West-Europa nog
maar weinig over is. Verrassenderwijs is dat juist in Nederland nog
veel: bijna 1000 km2, waarbij overigens wel moet worden aangetekend
dat er nauwelijks meer actieve stuifzanden zijn overgebleven. Dat
is vooral te danken aan natuurlijke processen, die ertoe leiden dat
eenmaal in grootte afgenomen stuifzandgebieden langzamerhand door
pioniervegetatie worden overwoekerd. In Nederland leidt dat nu, in
het kader van natuurbeheer, tot maatregelen die het voortbestaan van
de stuifzanden moeten garanderen, en die ook tot meer actief stuiven
moeten leiden. Een nieuwe maatregel om 'natuur' te beschermen die
anders door de natuur zelf zou verdwijnen! Voor iedere Nederlandse
(amateur)geoloog biedt dat gelukkig de kans om actieve stuifzanden
te ondergaan. En daarbij moet zeker niet alleen op de 'dode' natuur
worden gelet: dit boek geeft aan hoe interessant de gebieden ook zijn
uit het oogpunt van biologie, archeologie, geschiedenis en sociale
ontwikkeling. De kennis daarvan die dit boek in ruime mate biedt (meer
dan geologie en geomorfologie!) biedt daartoe volop de gelegenheid.
Niet alleen door de weliswaar (Engelstalige) wetenschappelijk verantwoorde
maar niettemin veelal goed leesbare tekst, maar ook vanwege de vele
prachtige kleurenfoto's. Natuurlijk is er op dit boek best het een
en ander aan te merken; het gaat daarbij echter bijna alleen om wat
redactionele inconsistenties, slordig taalgebruik, onvoldoend nauwkeurig
gecontroleerde drukproeven, etc. Dat mag eigenlijk geen naam hebben.
Het is al met al een boek dat iedereen die zich voor de nog maar schaars
aanwezige Nederlandse natuur interesseert, zou moeten meenemen op
een paar dagtochten naar een van de nog resterende stuifzandgebieden.
Met dit boek erbij, is een interessante én plezierige speurtocht naar
de kenmerken van deze toch vrij uitzonderlijke gebieden gegarandeerd.
Boekbespreking door
Wim Hoogendoorn: Vijf wijstreservaten in Noord-Brabant,
door Nico Ettema, 2010.
Voor hen die de smaak te pakken hebben na het lezen van Grondboor
& Hamer 2009 nr 6, vol met aardkundige excursiepunten in Noord Brabant,
is er goed nieuws. Er is een nieuw rijk geďllustreerd boek (64 blz.)
uitgegeven door de stuurgroep De Maashorst.
Bestelling voor de lezers van Grondboor & Hamer: € 10,- (inclusief
verzendkosten) overmaken op rek. nr. 483774847 tnv Nico Ettema te
Uden.
Bioloog Nico Ettema beschrijft in dit boek vijf Wijstreservaten,
namelijk: 1 De wijstgronden in Uden 2 Het beekdal van Slabroek 3 Donzel
inBernheze 4 Het Wijstbos in Landerd 5 Geneneindse Heide Zuid in Bakel
Ettema geeft eerst een korte beschrijving van de vijf gebieden, geďllustreerd
met oude (1897 of 1899) en recente topografische kaarten. Daarna wordt
ruimschoots ingegaan op de geologie en de hydrologie. Vervolgens wordt
er vergeleken met G&H - uiteraard - meer aandacht geschonken aan de
flora en de vegetatie van het gebied. De auteur sluit af met de 'Wandelroute
Het Annabosje'. De route wijkt op onderdelen iets af van bekende (excursie)routes.
Klantvriendelijk is dat de auteur ons op tal van punten nog eens wijst
op allerlei zaken waar we anders misschien wel gedachteloos langs
zouden lopen. Samenvattend kan gesteld worden dat het boek een waardevolle
aanwinst is voor de educatieve recreant in Brabant. Dat de stuurgroep
De Maashorst dit boek uitbrengt geeft vertrouwen dat er verder gewerkt
gaat worden aan behoud en herstel van de voor vele vakgebieden zo
interessante wijstgronden.
Boekbespreking door
A.J.(Tom) van Loon: Het energielandschap, door Tom
Bade, 2009.
KNVV Uitgeverij, Postbus310, 3700 AH Zeist. Gebonden, genaaid, 88
blz. Prijs € 34,95. ISBN 978-90-5011-332-8.
Energie
is in onze samenleving, samen met drinkwater, waarschijnlijk
de meest kostbare grondstof voor de rest van deze eeuw. Gehoopt mag
worden dat daarna voor het energieprobleem een oplossing zal zijn
gevonden, in de vorm van 'getemde' zonne-energie. Maar zover is het
nog lang niet, en de huidige vorm van energiewinning, -transport,
-opslag en -gebruik zal dan ook zeker nog lang zijn sporen in het
landschap achterlaten. Denk voor de Nederlandse energiewinning maar
aan de bergen van mijnafval in Limburg, voor het transport aan de
hoogspanningsleidingen, voor de opslag aan de concentratie van olietanks
op de Maasvlakte, en voor het gebruik aan de nog steeds talrijke hoge
schoorstenen. Dergelijke voorbeelden kent iedereen. Maar het energielandschap
vertoont veel meer facetten. Vanaf de oude veenwinningen tot de velden
met gewassen die voor de productie van biobrandstoffen worden geteeld.
En wat daartussen zit vormt een breed scala, waaraan we bewust of
onbewust zijn blootgesteld. Het zou teveel eer zijn om te zeggen dat
alle facetten van het landschap, zoals dat op enige wijze is of wordt
beďnvloed door de energiesector, aan de orde komen. Dat kan niet in
een boek van deze omvang. De auteur heeft gelukkig ook geen enkele
poging gedaan om een dergelijke onhaalbare volledigheid na te streven.
Toch is de uitgever erin geslaagd om een uiterst aantrekkelijk boek
te produceren. Belangrijker dan de tekst is namelijk, althans naar
mijn mening, het beeldmateriaal. Het grootste gedeelte van het boek
wordt in beslag genomen door foto's, meestal paginagroot, die op enigerlei
wijze met energie te maken hebben. Een windmolen, bruinkoolwinning,
een schuur met zonnepanelen, etc. De tekst kan dan ook beter worden
opgevat als een uitleg bij de foto's (die geen bijschriften hebben)
dan als een verhaal dat door de foto's wordt toegelicht. De foto's
zijn van Ruud Lardinois, die dan ook terecht op het omslag naast Tom
Bade staat vermeld. Het enige dat op de foto's aangemerkt zou kunnen
worden is dat er wel erg veel zijn opgenomen van bossen en bomen zonder
dat duidelijk wordt gemaakt waarin ze in de context van energie wezenlijk
van elkaar verschillen. Dit doet echter weinig of niets af aan het
plezier dat je beleeft aan het doorkijken (je kijkt meer dan je leest)
van dit boek. En zelfs Minister Cramer (van Ruimte en Milieu) heeft
in haar voorwoord afgezien van teksten die de wenkbrauwen zouden kunnen
doen fronsen. Al met al is dit een boek dat niemand zou moeten kopen
vanwege de diepgaande inhoud of de zorgvuldige analyse van de wijze
waarop de energievoorziening ons landschap heeft veranderd en blijft
veranderen. Maar het is wel een boek dat de bezitters vaak ter hand
zullen nemen om door te bladeren. En wie dat doet zal zich steeds
meer gaan realiseren dat we in Nederland geen echte natuur meer hebben.
Alleen gebieden waarin het niet voor iedereen direct zichtbaar is
dat de mens er uiteindelijk vorm aan heeft gegeven. En dat vaak in
verband met de energievoorziening. Pas wie dit alles doorheeft, zal
ons landschap met begrijpende ogen kunnen bekijken. En dat begrijpend
kijken kan weer een eerste stap zijn naar het nemen van maatregelen
die, in tegenstelling tot zoveel andere maatregelen die door de overheid
worden genomen, kunnen bijdragen aan het in stand houden, ook op langere
termijn, van de schaarse plekjes in ons land die deel uitmaken van
ons cultureel erfgoed. En nog belangrijker: het kan ook een stap zijn
naar het inzicht dat we ons landschap niet moeten laten bederven door
politieke hobbies: windmolens mogen politiek populair zijn, maar ze
kunnen geen wezenlijke bijdrage leveren aan onze energievoorziening,
en ze verstoren het landschap in ernstige mate. Dit boek leert dat
er betere oplossingen zijn. Een prachtig geschenkdoek!
Boekbespreking door A.J.(Tom) van Loon: De Bosatlas van ondergronds
Nederland, 2009.
Noordhoff Uitgevers b.v., Groningen, en Lijn 43, Utrecht. Gebonden,
96 blz, prijs € 24,95. ISBN 978-9001-12245-4.
Atlassen
zijn er te kust en te keur, voor de aarde als geheel en voor delen
daarvan. Ze geven in het algemeen uitsluitend of vooral topografische
informatie. Een uitzondering in Nederland was de Grote Spectrum Atlas
(1973) die onderdeel vormde van de Grote Spectrum Encyclopedie, maar
die ook werd uitgebracht als zelfstandige uitgave, (Spectrum Wereldatlas)
en daarna nogmaals (1974) onder de titel ‘Spectrum Gezinsatlas’, als
deel 11 van de Spectrum Encyclopedie van de Wereld. In die laatste
uitgave ontbraken de tekstdelen die in de beide andere uitgaven waren
opgenomen, en die - uniek, zeker voor die tijd - ook dieper op de
aarde ingingen. Letterlijk dieper, met uitgebreide bijdragen over
o.a. ‘De bouw van de aarde’, ‘De zeebodem’, Çontinenten op drift’,
‘Vulkanisme en aardbevingen’ en ‘Delfstoffen’. In die bijdragen werd
een kijkje gegeven onder het aardoppervlak waartoe de meeste atlassen
zich beperken.
In de Bosatlas van ondergronds Nederland wordt deze lijn nog veel
verder doorgetrokken: er staan weliswaar veel kaarten en kaartjes
van Nederland in, maar eigenlijk alleen om plaatsen aan de geven die
van belang zijn voor zaken in de ondergrond. Want die ondergrond is,
zoals de titel ook al aangeeft, het onderwerp waar alles om draait,
of eigenlijk zou moeten draaien, want het aardoppervlak blijkt voor
de schrijver (Henk Leenaers, bekend van diverse boekjes voor amateurgeologen:
zie Geonieuws) toch steeds weer grote aantrekkingskracht te hebben.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de acht inhoudelijke hoofdstukken
(Geologie en bodem; Grondwater; Archeologie; Natuur en landbouw; Oppervlaktedelfstoffen;
Energie en Mijnbouw; Infrastructuur; Stedelijke ondergrond) alle beginnen
met een (steeds prachtige) foto over 2 bladzijden, die echter steeds
een beeld van het oppervlak geven. De hoofdstukken ‘Natuur en Landbouw’
en ‘Oppervlaktedelfstoffen’ hebben ook weinig of geen informatie over
de ondergrond te bieden, net als het overgrote deel van het hoofdstuk
‘Infrastructuur’.
Hoewel de atlas dus niet helemaal waarmaakt wat de titel belooft,
staat er echter wel buitengewoon veel informatie in die voor iedereen,
maar zeker ook voor amateurgeologen, alleszins de moeite waard is.
Jammer is wel dat de kwaliteit van de geologische informatie beter
had gekund. Maar er wordt door de uitgever dan ook duidelijk gesteld
dat het geen uitgave is voor professionals. Dat maakt het dan weer
des te opmerkelijker dat er in Hoofdstuk 9 (Meer weten?) een sectie
‘Informatie voor Professionals’ is opgenomen. Die sectie bevat dan
weer veel informatie die helemaal niet interessant is voor professionals
(bij de websites van ‘Organisaties’ bijv. de gemeente Amsterdam, Netbeheer
Nederland, maar niet de afdeling Mijnbouw van de TU Delft. En wat
moeten bij ‘Boeken en atlassen’ voor de professionals werken als ‘De
aarde voor in je binnenzak’ en ‘Ondersteboven’ (zie Geonieuws). Waarom
wordt, in tegenstelling met het bovenstaande, bij de ‘Informatie voor
scholieren en docenten’ niet verwezen naar Geonieuws, een rubriek
die zo’n tweemiljoen (!) hits heeft gehad, en die bij veel werkstukken
voor school een grote hulp blijkt voor scholieren?
Er is, al met al, veel op deze uitgave
af te dingen. Daar staat echter zoveel interessante informatie tegenover,
dat het eindoordeel alleen maar positief kan zijn. Mede vanwege de
lage prijs kan deze atlas dan ook aan alle leden van harte worden
aanbevolen. .
Boekbespreking door H. Steur: De geschiedenis van
het leven door J.F.Geys.
deel 8a: Jura: Algemeenheden, Protisten, Sponzen, Coelenteraten
deel 8a-bis: Jura: Wormen, Bryozoën, Brachiopoden
Vlaams Genootschap voor Aardkundige Studies (Vlagast vzw).
Malle: ISBN 978-90-809140-5-6 gebrocheerd;
14,5 x 21,5 cm; zwart-wit ills., register.
De serie "De Geschiedenis van het Leven" van Prof. J.F. Geys is uitgebreid
met de eerste deeltjes over de (het) Jura. Ik heb al diverse malen
geschreven over deze serie en daarom houd ik het kort. Ik blijf het
onbegrijpelijk vinden dat een mens zoveel informatie kan verwerken
als Geys doet. Hij schrijft zelf dat hij een zo volledig mogelijk
beeld wil geven van het leven op aarde tijdens de Jura en dat hij
daarom niet te veel concessies wil doen vanwege een "uit de pan rijzend
aantal bladzijden". En inderdaad worden in de nieuwe deeltjes 8a en
8a-bis na een algemeen hoofdstuk op zeer volledige wijze de protisten,
de sponzen, de stekelhuidigen, de wormen, de bryozoën en de brachiopoden
behandeld.
Het is geen determinatieboek, maar als je je wilt verdiepen in een
van deze groepen, kun je in deze boekjes een fantastische basiskennis
opdoen. Het zijn beslist geen boeken om in zijn geheel door te werken,
maar de inleidende paragrafen zijn wel vaak heel leerzaam. Geys zegt
dat hij zijn best doet eenvoudige taal te gebruiken, maar dat lukt
niet erg. Veel moeilijke woorden zoals anoxia, eustatisch, trochoďdale
forams, sub- en exumbrellaire afdrukken, sedentaire en hypersalien
ontmoedigen de lezer. Ze worden zeker wel ergens verklaard, maar probeer
die plek maar eens te vinden. Ik denk dat het aantal jargonwoorden
veel verder teruggebracht kan worden en dat een verklarende woordenlijst
verlichting kan brengen. Maar dat neemt niet weg dat het zeer waardevolle
boekjes zijn en dat ze met elkaar een geweldig naslagwerk vormen.
De prijs van deel 8a is € 18,20, deel 8a-bis kost € 13,90. Daarbij
komen nog verzendkosten (€ 10 naar Nederland). Leden van de BVP kunnen
enige korting krijgen. Het bestellen kan via de website van de BVP
of die van Vlagast (de prijzen verschillen enigszins). Bij de Bodemschat
in Hengelo zijn de boekjes ook verkrijgbaar.
Boekbespreking Nieuwe Uitgaven door
Freek Rhebergen Andrea Rohde: Fossilien sammeln an der
Ostseeküste (2007). ISBN 3-529-05419-4 en Auf Fossiliensuche an der
Ostsee (2008). ISBN 978-3-529-05420-4
Sinds
jaar en dag zijn de kusten van de Oostzee in Noord-Duitsland en Denemarken
favoriete excursiegebieden, zowel voor liefhebbers van kristallijne
gesteenten, als voor fossielenverzamelaars. De eersten zullen met
boeken van Zandstra, Per Smed en Frank Rudolph goed uit de voeten
kunnen. De laatsten moet het vaak hebben van specialistische artikelen,
dikwijls verspreid over verscheidene tijdschriften, waardoor het lastig
is om het overzicht te behouden. Deze leemte is nu op voortreffelijke
wijze opgevuld door twee uitgaven van Andrea Rohde. Op het eerste
gezicht lijkt het vreemd. Twee uitgaven, met grote overeenkomsten
in de opbouw, vlak na elkaar verschenen, over hetzelfde gebied, en
bovendien geschreven voor dezelfde doelgroepen: beginnende čn gevorderde
amateurs.
"Fossilien sammeln" is een stevige paperback van 224 pagina's,
die met zijn formaat van 14x20 cm uitermate geschikt is om als veldgids
tijdens de zoektocht naar zwerfsteenfossielen bij je te hebben. Het
boek is opgebouwd uit drie delen: een algemeen inleidend deel (10
pagina's), gevolgd door een 120 pagina's omvattende bespreking van
fossielhoudende gesteenten, chronologisch gerangschikt, van Cambrium
tot en met Plioceen. In de volgende 80 pagina's behandelt de schrijfster
te vinden fossielen, gerangschikt volgens de systematiek, van sponzen
tot gewervelden. Het boek sluit af met een begrippenlijst, een uitvoerige
index en een vrij uitgebreide literatuurlijst.
Vrijwel
elke pagina bestaat uit een goede foto en een korte karakteristiek
van het betreffende gesteente of fossiel, met vermelding van de beste
vondstmogelijkheden. Stippen (één tot vier) geven aan of een fossiel
zeldzaam is of algemeen voorkomt. Het aantrekkelijke van de gekozen
afbeeldingen is, dat niet altijd prachtige fossielen zijn geselecteerd,
maar vaak ook minder mooie, overeenkomend met wat gewoonlijk te vinden
is. Bovendien zijn bij de wat uitvoeriger bespreking van een fossielgroep
verhelderende tekeningen met een reconstructie van een dier toegevoegd.
De prijs, € 14,80, is laag. De verhouding prijs/kwaliteit daarentegen
is omgekeerd evenredig hoog.
Vanzelfsprekend kan een dergelijke gids niet volledig zijn, maar
wie het komende seizoen een zoektocht maakt langs de kusten (of in
de grindgroeves) van Schleswig-Holstein zal veel plezier beleven aan
deze gids. De meeste sedimentaire gesteenten en veel van de fossielen
zul je er globaal mee kunnen thuisbrengen.
"Auf Fossiliensuche an der Ostsee" is een kloek, stevig
gebonden lees- en kijkboek van 272 pagina's, formaat 21x25 cm. Ook
hier maakt een overzichtelijke indeling het boek prettig toegankelijk.
In deel 1, een algemeen geologische inleiding is een kaart van het
Oostzeegebied opgenomen, met verwijzingen naar de herkomstgebieden
en de ouderdom van te vinden gesteentetypes. In deel 2 worden in 20
pagina's allerlei soorten afzettingsgesteenten in woord en beeld voorgesteld.
Deel 3, "Fossielhoudende gesteenten" (145 pagina's), omvat
chronologisch gerangschikte beschrijvingen en afbeeldingen van vooral
Zweedse en Deense lokaties die zwerfsteenmateriaal hebben geleverd.
Prachtige foto's van ontsluitingen op bijvoorbeeld Öland, Gotland
en Bornholm zijn om te watertanden. In deel 4 (90 pagina's) zijn vertegenwoordigende
fossielen afgebeeld, zoals in de "veldgids", maar met veel
meer tekst en uitleg. En dat is dan ook het grote verschil met de
veldgids: "Auf Fossiliensuche" geeft niet alleen veel meer
informatie, maar legt ook duidelijker verbanden tussen de zwerfstenen
en de oorspronkelijke afzettingen dan de veldgids. Het is een gedegen
maar niet moeilijk naslagwerk dat je thuis steeds binnen handbereik
wilt hebben. Ook in dit boek zijn een begrippenlijst en een uitgebreide
index opgenomen. Een literatuurlijst nodigt uit tot verdere, specialistische
studie van een aansprekend gesteente of favoriete ontsluiting in Scandinavië.
De prijs is € 29,90. Een koopje voor zo.n aanwinst in de zwerfsteenliteratuur!
Op het tweede gezicht dus toch niet zo vreemd als het eerst leek,
die twee verwante boeken.
Volledige literatuurlijst behorende bij "FLEVUM AELMERE
ALMARI ZUIDERZEE IJSSELMEER"
Pagina
110 - 116 Grondboor & Hamer NR. Jaargang 63, 2009-3/4
Piet Cleveringa (1), Tom Meijer (1,2), Jeroen Schokker (3) en Hein
de Wolf (1)
1 WMC Kwartair Consultants
2 Naturalis, P.O. Box 9517, 2300 RA, Leiden
3 Deltares / TNO - Geological Survey of the Netherlands, Postbus
85467, 3508 AL Utrecht
Keuze uit geraadpleegde literatuur:
- Balen, R. van, 2008. De ondergrond van Schokland. Grondboor &
Hamer, 62: 77 . 81.
- Boon, D. Czn (Red.), 1982. Flevum Aelmere Almari Zuiderzee IJsselmeer.
Uitgave van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen,
Amsterdam.
- Braat, W.C., 1932. De archeologie van de Wieringermeer. Oudheidkundige
Mededeelingen uit het Rijksmuseum van oudheiden te Leiden, Nieuwe
reeks XIII: 5-58. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden.
- Buisman, J., 2000. Duizend jaar weer en wind in de Lage Landen,
deel 1 - 5. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker.
- Deeben, J., Drenth, E., Oorsouw, M.-F. van, Verhart, L., 2005.
De steentijd van Nederland. Archeologie, 11/12, Uitgave Stichting
Archeologie.
- Ente, P.J., Koning, J. & Koopstra, R., 1986. De bodem van
Oostelijk Flevoland. Flevoberichten 258. Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders,
Lelystad.
- Faasse, P.E., 2002. De ontdekking van de ondergrond. Anderhalve
eeuw toegepast geowetenschappelijk onderzoek in Nederland. Geologie
van Nederland 6. Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen
TNO.
- Gotjé, W., 1993. De Holocene laagveen ontwikkeling in de randzone
van de Nederlandse kustvlakte (Noordoostpolder), proefschrift Vrije
Universiteit Amsterdam.
- Ham, W. van der, 2007. Verover mij dat land. Lely & de Zuiderzeewerken.
Uitgeverij Boom, Amsterdam.
- Harting, P., 1853. Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen
en bewoners. Uitgeverij Van Paddenburg en Comp., Utrecht.
- Harting, P., 1877. De geologische en physische gesteldheid van
den Zuiderzee-bodem, in verband met de voorgenomen droogmaking.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen,
afd. nat. (2) XI: 301-325.
- Heide, G.D. van der, 1955. Aspecten van het archaeologisch onderzoek
in het Zuiderzeegebied. Van zee tot Land, 13: 1 . 62. Uitgave Directie
van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).
- Hettema, H., 1953. Grote Historische Schoolatlas. Zeventiende
herziene en vermeerderde druk. N.V. Uitgevers-maatschappij W.E.J.
Tjeenk Willink, Zwolle.
- Kamp, A.F., 1937. Zuiderzee-land. Verleden en toekomst van de
Zuiderzee. Querido.s Uitgevers-maatschappij, Amsterdam, 275 p.
- Lorié, J., 1893. Binnenduinen en bodembewegingen. Tijdschrift
van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (2),
X: 753-796, 939-980.
- Meijer, T., Cleveringa, P., Wolf, H. de , 2008. Kokkels in soorten
en maten in de IJsselmeerpolders. Grondboor & Hamer, 62(3/4):
96-100.
- Meijer, T., 2009. De geschiedenis van het molluskenonderzoek bij
de Rijksgeologische Dienst. In: Schitterende schelpen en slijmerige
slakken. In: Cadée, G.C., van Leeuwen, S., ter Poorten, J.J. (Red.),
75 jaar NMV: malacologie als hobby en professie, p. 22 . 35. Memorie
van toelichting tot het ontwerp van wet tot bedijking en droogmaking
van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van een waterweg
van Amsterdam naar de rivier de Waal. Bijblad Nederlandsche Staatscourant
1876-1877 (174), 35 blz.
- Middelhoek, A, Wiggers, A.J., 1953. Biologisch jaarboek, uitgegeven
door het Kon. Natuurwetenschappelijk Genootschap DODONAEA te Gent,
p. 235 . 290.
- Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C. Ritsema, I., Westerhoff, W.E.,
Wong, T.E. (Red.), 2003. Geschiedenis van de ondergrond. In: De
ondergrond van Nederland. Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen
TNO, Geologie van Nederland 7.
- Polak, B., 1936. De botanische samenstelling van een reeks veenmonsters
uit den toekomstigen Noordoostpolder, in den zomer 1933 verzameld
door het Bodemkundig Instituut te Groningen. Mededeling der Zuiderzeecommissie,
31: 785 . 822
- Pons, L.J., 1992. Holocene peat formation in the lower part of
the Netherlands. In: J.T.A. Verhoeven (ed.), Fens and bogs in the
Netherlands: vegetation, history, nutrient dynamics and conservation.
Geobotany, 18: 7-79.
- Pons, L.J. & Oosten, M.F. van, 1974. De bodem van Noordholland.
Toelichting bij blad 5 van de bodemkaart van Nederland schaal 1
: 200.000. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Raemaekers,
D.C.M., Hogestijn, W.J.H., 2008. Weg met de Klokbekerweg? De interpretatie
van vondsten van de Klokbekercultuur in Swifterbant en de provincie
Flevoland. Westerheem, 57: 409 . 417.
- Staring, W.C.H., 1846. De Aardkunde van Salland en het land van
Vollenhove. Eene vooorlezing, gehouden voor en uitgegeven door de
Overijsselsche Vereeniging tot ontwikkeling van provinciale welvaart.
Zwolle, J.J. Tijl, p. 1-63. Staring, W.C.H., 1857. De bodem van
Nederland. De zamenstelling en het ontstaan der gronden in Nederland,
ten behoeve van het algemeen beschreven. 2 delen. A.C. Kruseman,
Haarlem.
- Staring, W.C.H., 1858. Voormaals en Thans. Opstellen over Neęrlands
grondgesteldheid. Uitgeverij A.C. Kruseman, Haarlem, p. 1-241.
- Thijsse, J.Th., 1972. Een halve eeuw Zuiderzeewerken, 1920-1970.
Uitgegeven met medewerking van de Dienst der Zuiderzeewerken. H.D.
Tjeenk Willink B.V., Groningen, 469 p.
- Wiggers, A.J., 1955. De wording van het Noordoostpoldergebied.
Een onderzoek naar de fysisch- geografische ontwikkeling van een
sedimentair gebied. Dissertatie, Universiteit van Amsterdam: 214
p.
- Zagwijn, W.H., 1986. Nederland in het Holoceen. Geologie van Nederland,
Deel 1: 46 p., Rijks Geologische Dienst, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage.
Zuur, A.J., Ebbens, O.S., Venstra, A.J., Jansen, G.J.F., 1954. Langs
gewonnen velden. Facetten van Smedings werk. Opstellen ter gelegenheid
van het afscheid van Smeding als directeur van de Wieringermeer
(Noordoostpolderwerken) en Landdrost van de Noordoostpolder. Uitgeverij
H. Veenman & Zonen, Wageningen, 443 p.
|