NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING


GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

door F.C. Kraaijenhagen

Een gezamenlijke uitgave van de
NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING
en de
NGV afdeling LIMBURG
September 1992

1992 © Copyright Nederlandse Geologische Vereniging.

Voor Internet herzien en bewerkt in 2006 door George Brouwers Oisterwijk.

Inhoudsopgave

naar Geologie in Telegramstijl
naar Geologische Tijdschaal
naar Trefwoordenregister
naar Literatuurlijst

ALLE TEKST, 150 PAGINA'S, WELKE HIERONDER IS WEGGEHAALD IS ALLEEN VOOR ONZE LEDEN BEREIKBAAR.

VRAAG HIEROM ONDER VERMELDING LIDMAATSCHAPSNUMMER BIJ INFO@GEOLOGISCHEVERENIGING.NL

1.0. Inleiding
2.0. Geologie
2.1. Deelwetenschappen van de geologie
2.2. Werkmethoden in de geologie
2.3. Geologische processen
3.0. De aarde
3.1. Gegevens over de aarde
3.2. De aardkorst
4.0. Tijd in de geologie en geologische geschiedenis
4.1. Relatieve ouderdomsbepaling
4.2. Stratigrafie
4.3. Absolute ouderdomsbepaling
4.4. Activeringsanalyse
5.0. De geologische geschiedenis van de aarde en van Nederland
6.0. Structurele geologie
6.1. Plooien
6.2. Breuken
7.0. Geotektoniek
7.1. Orognese
7.2. Epirogenese
7.3. Krachten in de geotektoniek
7.4. Vulkanisme
7.5. Aardbevingen
8.0. Exogene processen 8.1. Klimaten
8.2. Meteorieten
8.3. Blikseminslag
9.0. Verwering
9.1. Mechanische verwering
9.2. Chemische verwering
10.0. Bodemkunde
10.1. Bodemvorming
11.0. Hellingprocessen
11.1. Belang van hellingprocessen
11.2. Verplaatsing van materiaal
11.3. Invloed op hellingprocessen
11.4. Vormen van hellingen
12.0. Transport en afzetting van sedimentaire deeltjes
12.1. Sedimentaire deeltjes
12.2. Soorten stromingen
12.3. Transport en sedimentatie in water
12.4. Transport en sedimentatie door wind
12.5. Transport en sedimentatie door golven
12.6. Sedimentaire deformatie-structuren
13.0. Rivieren
13.1. Indeling van rivieren
13.2. De waterhuishouding
13.3. Vervoer van sedimentair materiaal in rivieren
14.0. Het fluviatiel-denudatieve reliëf
14.1. Dalvorming
14.2. Dalprofielen
14.3. De cyclus van de dal-evolutie
14.4. Dalstelsels
14.5. Droge dalen
14.6. Doorbraakdalen
14.7. Dalmeanders
15.0. Terrassen
15.1. Soorten terrassen
15.2. Ontstaan van terrassen
16.0. Vlakke reliëfs
16.1. Pedimenten
17.0. Reliëf en tektonsiche structuur
17.1. Cuesta's
18.0. Meren
18.1. Ontstaan van meren
18.2. Water van meren
18.3. Zoutmeren
18.4. Sedimentatie in meren
19.0. Ondergronds water
19.1. Soorten ondergronds water
19.2. Grondwaterbeweging
19.3. Grondwatervoorkomens
20.0. Afbraak en opbouw door grondwater
20.1. Karstverschijnselen
20.2. Karsthydrologie
20.3. Afzettingen uit grondwater
21.0. Geologische werking van wind
21.1. Winderosie
21.2. Eolisch transport
21.3. Woestijnen

22.0. De geologische werking
22.1. Sneeuw
22.2. IJs en gletsjers
22.3. Periglaciale verschijnselen
23.0. IJstijden
23.1. Oorzaken van ijstijden
24.0. De zee
24.1. Waterbeweging in zee
24.2. De voedselcyclus
24.3. Het zeebodemreliëf
24.4. Afzettingen in zee
24.5. Bewoningszones in zee
25.0. Kusten
25.1. Rotskusten
25.2. Kusten uit los materiaal
25.3. Zeespiegelbewegingen
26.0. Zout
26.1. Evaporieten
27.0. Fossiele brandstoffen
27.1. Veen, bruinkool, steenkool
27.2. Aardolie
27.3. Aardgas
28.0. Mineralen
28.1. Kristallen
28.2. Fysische kenmerken
28.3. Optische kenmerken
28.4. Diverse specifieke kenmerken
28.5. Chemische samenstelling en indeling van mineralen
28.6. Voorkomen van mineralen
28.7. Micromounts
28.8. Slakkenmineralen
29.0. Gesteenten en gesteentevorming
29.1. Stollingsgesteenten
29.2. Sedimentgesteenten
29.3. Concreties en secreties
29.4. Metamorfe gesteenten
29.5. Overige gesteenten
30.0. Fossielen
30.1. De studie van fossielen
30.2. Classificatie en naamgeving van fossielen
30.3. Geschiedenis
30.4. Naar een moderne taxonomie
30.5. Fossielen van Rijk 1: Monera
30.6. Fossielen van Rijk 11: Protista
30.7. Fossielen van Rijk 111: Plantae
12.6. Sedimentaire deformatie-structuren
30.8. Fossielen van Rijk IV: Fungi
30.9. Fossielen van Rijk V: Animalia
31.0. Fossiele sporen van levende organismen
31.1. Loopsporen
31.2. Kruipgangen en boorgaten
31.3. Aanhechtingssporen
31.4. Vraatsporen e.d
31.5. Sporen van parasieten en ziekten
31.6. Nesten en holen
31.7. Uitwerpselen
31.8. Gastrolieten
31.9. Voortplantingssporen
32.0. De geologische collectie
32.1. Verzamelen
32.2. Prepareren en conserveren
32.3. Determineren
32.4. Documenteren
32.5. Het bewaren van uw verzameling
32.6. Lakprofielen
33.0. De amateur en geologie
33.1. Levenssporen
33.2. Gesteentetellingen
33.3. Mesofossielen
33.4. De Fulguriet van Hergenrath
33.5. Radioactiviteit in onze bodem
33.6. Natuurlijke bouwstenen
33.7. Prehistorische Vuursteenmijnbouw
33.8. Kalkbranderijen
33.9. Pleistocene zoogdieren
33.10.Ertswinning nabij onze Zuidgrens
33.11.Krijtfossielen beschreven
33.12.De stratigrafie van het Krijt
33.13.Het ontstaan van een museum
33.14.Grondboringen in Zuid-Holland
33.15.Van amateur tot onderzoeker
34.0. Nederlandse Geologische Vereniging (NGV)

naar Inhoudsopgave
naar Trefwoordenregister
naar Literatuurlijst
naar Geologische Tijdschaal

 

GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

1. INLEIDING.

Allang waren wij er ons van bewust, dat er behoefte was aan een ruggesteuntje voor beginnende en gevorderde amateurs om hun geologische kennis, vooral t.a.v. de betekenis en inhoud van geologische begrippen en namen, op een eenvoudige wijze op te frissen en uit te bouwen.
Deze behoefte bleek tijdens de bijeenkomsten van de Nederlandse Geologische Vereniging en van de NGV. afdeling LImburg.
Deze bijeenkOllsten worden bijgewoond zowel door beginnenden als door doorgewinterde amateurs en vakgeologen.
Tijdens lezingen en besprekingen worden er uiteraard geologische woorden en uitdrukkingen gebruikt. Hierbij is het vrijwel onmogelijk om een zodanige spreektaal te kiezen, dat alle toehoorders deze begrippen direct kunnen plaatsen.
Zo kwamen wij op de gedachte om hieraan tijdens elke bijeenkomst aandacht te schenken. Sinds 1985 heeft de schrijver telkens een korte inleiding gehouden van 15 à 20 minuten, waarin geologische begrippen kort werden gedefiniëerd. Begrippen en omschrijvingen uit de geologie werden zo beknopt mogelijk in hun verband gebruikt, om hun betekenis te verduidelijken.
De opzet is zodanig gekozen, dat de geologie op eenvoudige, voor ieder begrijpelijke wijze wordt doorgenomen.

Deze formule voldeed en zo ontstonden de 'Telegramstijlen'.
Toen de serie was afgerond voelde menigeen de behoefte, om de behandelde stof in gemakkelijk hanteerbare vorm bij de hand te hebben. Daarom besloten wij tot het uitgeven van deze beknopte 'Algemene Geologie'.
Het is vooral de bedoeling aankomende amateurs kennis te laten maken met de geologische terminologie en verder om de kennis van gevorderden zo nu en dan een ruggesteuntje te geven.

Voor het opzoeken van geologische woorden en termen in de tekst kan men gebruik maken van het alfabetische trefwoordenregister.
Wij hopen, dat 'Geologie in Telegramstijl' een nuttig naslagwerkje zal blijken te zijn.

Iemand, die dieper in wil gaan op de betekenis, de inhoud en de samenhang van de gebruikte begrippen zal zich in de betreffende literatuur moeten verdiepen. Hiertoe is een beknopte bibliografie opgenomen.
Verdere studie bevelen wij de gebruikers van dit handboekje van harte aan.

Nog een praktische opmerking: Op heel veel plaatsen is het = -teken gebruikt tussen namen en begrippen. Dat wil zeggen, dat het synoniemen betreft voor globaal hetzelfde begrip. De schrijver is er zich van bewust, dat er verschillen bestaan in exakte betekenis of gevoelswaarde tussen bv. de woorden groot = enorm = omvangrijk. Toch is er gekozen voor het = - teken omwille van de beknoptheid.

Allen aan wie ik advies of hulp vroeg reageerden direkt positief. Dit begunstigde het werk. aan het boek in hoge mate.
Enkelen van hen, wiens deskundigheid ik bewonder en die ik als goede vrienden beschouw wil ik met name bedanken.
W.M. Felder uit Vijlen en H. Huisman uit Lieveren lazen zorgvuldig het manuscript en maakten veel nuttige opmerkingen. J.Jagt uit Venlo en E. Vanes uit Beek deden hetzelfde met resp. de hoofdstukken Fossielen en Mineralen.
C. Rademakers uit Heerlen maakte veel fraaie en duidelijke tekeningen. Bovendien corrigeerde hij de tekst, verzorgde hij de lay out en maakte hij het boek drukklaar.
Hen en vele anderen ben ik veel dank verschuldigd.

Heerlen, voorjaar 1992. EC. Kraaijenhagen.

Opmerking: Er zijn daar waar nodig wijzigingen aangebracht gedurende het opzetten voor deze website door G. Brouwers. e.a.

2. GEOLOGIE.

Geologie = aardkunde = de wetenschap, die zich bezig houdt met het ontstaan van de aarde, met de studie van de bouw en de samenstelling van de aarde, de processen die zich erin en erop afspelen en de historie hiervan.
NB. Ge = aarde. Logos = wetenschap, betekenis, kunde (grieks).
Algemene geologie = de leer van de geologische processen.
Men verstaat onder algemene geologie ook wel: de leer van de geologische krachten = dynamische geologieDeze krachten kunnen fysisch, chemisch of organisch zijn
Aardwetenschappen = de wetenschappen, die zich bezighouden met

2.1Deelwetenschappen van de geologie.

De geologische wetenschap omvat verschillende disciplines = deelwetenschappen.
Hiervan noemen we:
historische geologie = studie van de chronologische geschiedenis van de aardkorst (vooral beoefend door stratigrafen).
stratigrafie = studie van sedimentgesteenten in hun

2.2. Werkmethoden in de geologie .

Men kan geologie benaderen vanuit:
1.huidige waarneembare processen en deze 'terugvertalen'.
2. waarnemingen aan objecten en

sub 1. Men noemt dit actualisme = vergelijking van huidige

2.3. Geologische processen.

In de geologie onderscheidt men twee soorten processen:
endogene processen = de oorsprong, de krachtbron ligt in de aarde zelf.
exogene processen = de werking komt van buitenaf, uit de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer.

 

3. DE AARDE.

De aarde is één van de hemellichamen van ons zonnestelsel en meer in het bijzonder van het planetenstelsel van de zon.
De exogeologie is de studie van de buitenaardse geologie = de geologie van de buitenaardse hemellichamen. Wij zullen ons alleen bezighouden met de geologie .

3.1. Gegevens over de aarde.

De aarde bestaat al meer dan 4.5 miljard jaar. Met het ontstaan van een harde korst, meer dan 3.8 miljard jaar geleden, ontstaan er omstandigheden, waarin men van geologie kan spreken.
Het is opvallend, dat er (geologisch gezien) kort daarna

 

3.2. De aardkorst.

Als we het oppervlak van de aarde bezien, dan kunnen we vaststellen, dat de continenten ca. 35% van het oppervlak beslaan en als grote plateaus boven de oceanen uitsteken.
De oceanen beslaan ca. 65%. Over grote gebieden zijn ze tussen

4. TIJD IN DE GEOLOGIE EN GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS.

In de geologie worden twee methoden voor ouderdomsbepaling gebruikt: de absolute - en de relatieve ouderdomsbepaling.

4.1. Relatieve ouderdomsbepaling.

Relatieve ouderdomsbepaling berust op superpositie en op evolutie van organismen.
Het wordt gebruikt voor stratigrafische correlatie = het bepalen van gelijktijdigheid van b.v. afzettingen op enige afstand van elkaar.
Superpositie = het hoger of lager

4.2. Stratigrafie.

Stratigrafie = de tak van de geologie, die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen in de aardkorst.
Lithostratigrafie = de tak van de stratigrafie, die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen op basis van gesteentekenmerken = van de lithologie = gesteentekunde van de lagen.

Een Horizon = Horizont is het scheidingsvlak tussen twee lagen = een laagvlak.
Een lithostratigrafische Horizont = een scheidingsvlak =

Genetische eenheden zijn eenheden, die op eenzelfde manier zijn ontstaan.
Een sequentie = een opeenvolging van boven elkaar liggende lagen in een gebied.
Accumulatie = afzetting van


Fig.2. Cyclotheem in de kalksteen van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg.
(Naar W.M.Felder, 1975)

Een ander voorbeeld van een cyclische opeenvolging is die in het Boven-Carboon van steenkool, schalie, zandige schalie en zandsteen.

Een lens = een gesteentelichaam, dat aan beide zijden uitwigt en op niets uitloopt.
Een huidje =een laagje of bedekking dunner dan l cm.
Een wat langere onderbreking heet een disconformiteit.
Liggen de lagen van vóór en na de onderbreking evenwijdig, dan liggen ze concordant. Maken ze een hoek met elkaar, dan liggen ze discordant. Voorbeeld: het in Zuid-Limburg afgezette Krijt op het geplooide Carboon.

Fig.3. Discordante ligging van het Boven-Krijt op het Boven-Carboon in Zuid-Limburg.
(gedeeltelijk naar W.J. Jongmans, 1937)

Een Groep = Assise (Frans) = meerdere

4.3. Absolute ouderdomsbepaling.

De belangrijkste methoden van absolute ouderdomsbepaling maken gebruik van het feit, dat radioactieve elementen uiteenvallen met een constante halfwaardetijd.
Van veel van deze elementen

4.4. Activeringsanalyse.

Hoewel niet goed passend in een hoofdstuk over tijd in de geologie, maar direct aansluitend aan 4.3. noemen we hier kort een methode, om gesteenten te determineren door middel van de z.g. activerings-analyse.
Als men een gesteente bestraalt in een kernreactor, worden bepaalde sporenelementen = slechts in

5. DE GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS VAN DE AARDE EN VAN NEDERLAND.

Eerst een inleidende opmerking.
Als er in de volgende teksten sprake is van 'ons gebied', dan is hiermee ons land (en omgeving) bedoeld, zoals het zich nu bevindt op ons continent. De lokalisering

PRECAMBRIUM. tot 590 miljoen jaar.

De oudste geologische Periode is het Precambrium,

CAMBRIUM. 590 - 505 miljoen jaar.

Er zijn grote epicontinentale zeeën = zeeën, die de continenten

ORDOVICIUM. 505 - 438 miljoen jaar.

Grote delen continent vallen droog. Tegen het Midden-Ordovicium zijn er weer enorme epicontinentale zeeën.
Het klimaat is over het algemeen vrij

KWARTAIR. 2 miljoen jaar - heden.

Het Kwartair wordt onderverdeeld in het Pleistoceen en het Holoceen.


Van onze mogelijke directe voorouders noemen we:
Homo habilis, 2.3 à 1.7 miljoen jaar.
Homo erectus, 1.5 miljoen - 200.000 jaar.
Homo sapiens,

6. STRUCTURELE GEOLOGIE.

Endogene krachten = krachten vanuit de aarde zelf kunnen het materiaal van de aardkorst deformeren = vervormen.
Deze deformatiewordt bestudeerd in de tektonische = structurele geologie.

De structurele geologie houdt zich

Fig.5 Diverse tektonische deformatieplooien.

De strukturele geomorfologie legt er de nadruk op, dat reliëfs, landschappen, insnijdingen, enz. weliswaar worden gevormd door specifieke processen, maar dat het resultaat sterk afhangt van de omstandigheden ter plaatse, zoals:
- de weerstand van het gesteente tegen


Fig.6. Inwelving en opwelving van plooienstelsels

6.1. Plooien.

Plooien = plooiingen = flexuren zijn vervormingen, waarbij lagen zijn verbogen, zonder dat desamenhang is verbroken.
Een plooi heeft flanken = vleugels en

6.2. Breuken.

Breuken zijn deformaties, waarbij de cohesie = samenhang van het gesteente aan beide zijden van het breukvlak ten opzichte van elkaar is verbroken.
Als de gesteentepakketten aan beide zijden van de breuk nièt .

Fig.7. Twee voorbeelden van tektonische verschuivingen.

Afschuiving: het breukvlak helt

7. GEOTEKTONIEK.

Geotektoniek heeft betrekking op processen van wereldomvattende omvang. Het voorvoegsel geo duidt op een wereldwijde betekenis.

Geotektoniek = beweging van grote delen van de aardkorst, zoals

7.1. Orogenese.

Op een geologische wereldkaart kunnen we relatief smalle, intensief geplooide zones over de hele aarde vervolgen. Deze heten orogenen. Een orogeen is

In Europa kennen we sinds het Cambrium = de laatste 590

7.2. Epirogenese.

Epirogenese = rijzen en dalen van grote delen van de aardkorst.
Het gesteente is hierbij niet of nauwelijks

7.3. Krachten in de geotektoniek.

Verschillende theorieën over de oorzaken van de geotektonische bewegingen in de aardkorst hebben, al opgeld gedaan. We duiden ze kort even aan.

-- de contractietheorie,

7.4. Vulkanisme.

Vulkanisme is het geheel van processen, die samenhangen met het verplaatsen van materiaal uit het binnenste der aarde tot aan of nabij de oppervlakte.
Vulkanologie is de tak van

8. EXOGENE PROCESSEN.

In 2.3. noemden we al de exogene processen, die hun oorsprong vinden in werking op de aardkorst van buitenaf, n.l. vanuit de atmosfeer, hydrosfeer en biosfeer.
Hierbij krijgen we te maken met klimaten, verwering,

8.1. Klimaten.

Exogene processen zijn in hoge mate afhankelijk van het klimaat ter plaatse. Op het land zijn de belangrijkste elementen die het klimaat bepalen: de neerslag

8.2. Meteorieten.

Meteorieten zijn stukken van hemellichamen, die de dampkring van de aarde zijn binnengedrongen.
Slechts een klein deel bereikt ook de aarde.
Er zijn duizenden vondsten

8.3. Blikseminslag.

Een fulguriet = bliksembuis = meestal

9. VERWERING.

Gesteenten kunnen verweren door mechanische = fysische en door chemische processen. Bij fysische verwering valt het gesteente in kleinere delen uiteen, zonder dat

9.1. Mechanische verwering.

De mechanische verwering = desintegratie = afbraak in kleinere delen door mechanische processen speelt slechts in enkele klimaatomstandigheden een hoofdrol.
We onderscheiden hierbij:
1. vorstverwering.
2. insolatie.
3. biologische

9.2. Chemische verwering.

Bij chemische verwering treden er reacties op tussen gesteentemineralen en van buiten werkende agentia. Hierbij moet als eerste water worden genoemd. Water is zelf chemisch actief, rnaar

10. BODEMKUNDE.

De bodemkunde houdt zich bezig met de ondiepe ondergrond tot een diepte van ca. 1.5 m en het aanrakingsvlak tussen atmosfeer en aarde. Ze bevindt zich hierbij in gezelschap van de kwartairgeologie, biologie, sedimentologie, geohydrologie en

10.1 . Bodemvorming.

Een belangrijk proces, dat zich afspeelt dicht onder het aardoppervlak, is de pedogenese = bodemvorming.
Het woord bodem heeft in dit verband een veel engere betekenis, dan

11. HELLINGPROCESSEN.

Nauwelijks enig stukje aardoppervlak is werkelijk vlak en horizontaal. Omdat er dus overal kleine of grote, flauwe of steile hellingen zijn, zal het U niet verbazen, dat hellingprocessen

11.1. Belang van hellingprocessen.

Hellingprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in:
-- het leveren van verweringsmateriaal aan

11.2. Verplaatsing van materiaal.

Omdat hellingprocessen dus kennelijk belangrijk zijn voor de samenleving gaan we eens na; hoe verweringsdeeltjes worden verplaatst.
a) vallen en rollen. Losgeraakte deeltjes


Fig.11. Bodemtransport bij hellingprocessen.

 

.11.3. Invloed op hellingprocessen.

We sommen in het kort op, welke factoren de hellingprocessen beïnvloeden:
-- klimaat: regenval, sneeuw, vorst, verdamping.
--vegetatie: dichte vegetatie

11.4. Vormen van hellingen.

Onder invloed van hellingprocessen kunnen hellingen verschillende vormen aannemen: recht, convex = beneden steiler, concaaf = bovenaan steiler, getrapt of combinaties van deze vormen

 

12. TRANSPORT EN AFZETTING VAN SEDIMENTAIRE DEELTJES.

Transport van deeltjes vindt plaats door water van zee en rivieren, door wind, sneeuw en ijs.

12.1. Sedimentaire deeltjes.

Sedimentologie = de studie van sedimentaire afzettingen en hun vorming. Een sediment = afzetting = sedimentaire afzetting = een hoeveelheid vast materiaal, verhard of niet

12.2. Soorten stromingen.

Stromingen van water en lucht verplaatsen deeltjes over de aarde. In rivieren ontstaan stromingen door de zwaartekracht,

12.3. Transport en sedimentatie in water.

Sediment kan in stromend water worden vervoerd:
-- door rollen of schuiven over de bodem.

12.4. Transport en sedimentatie door wind.

De valsnelheid van deeltjes in

12.5. Transport en sedimentatie door golven.

Golven ontstaan gewoonlijk door wind. Ze kunnen ver

12.6. Sedimentaire deformatiestructuren.

Dit zijn deformaties = vervormingen, die voorkomen in afzettingen.
We noemen er in het kort enkele.
Levende organismen veroorzaken bioturbatie = verstoringen

13. RIVIEREN.

Rivieren zijn behalve de afvoerwegen voor water van neerslag, smeltwater en grondwater ook de vervoerders van afbraakproducten. Zodoende

13.1 . Indeling van rivieren.

Men kan rivieren indelen op grond van verschillende criteria.
a) naar hun vorm.
b) naar de herkomst

sub a. Indeling naar de vorm van de loop.
1. Dalvormende rivieren .
Als de erosie overheerst vormt de rivier een kloof of een dal. De gradiënt is dan groot en het bodemmateriaal wordt afgevoerd

13.2. De waterhuishouding.

Onder de waterhuishouding = het regime van een rivier verstaat men het debiet  de afvoer, zoals die verloopt in een heel jaar en de

13.3. Vervoer van sedimentair materiaal in rivieren.

Eerder bespraken we al, dat water materiaal kan vervoeren, hetzij als suspensiemateriaal = suspensielast, hetzij als bodemmateriaal = bodemlast.Dit laatste betreft

Fig.12a. Erosie en sedimentatie door een meanderende rivier.


Fig.12b. Schema van een riviermeander.

14. HET FLUVIATIEL-DENUDATIEVE RELIËF

Sprekend over het reliëf raken we de kern van de geomorfologie, die reliëfvormen als

14.1. Dalvorming.

Verschillende riviertypen oefenen een verschillende eroderende werking uit.
-- dalvormende rivieren hebben

14.2. Dalprofielen.

Het dwarsprofiel van een dal bestaat uit een dalwand, waarop denudatie plaatsvindt, een dalbodem met de alluviale vlakte van de rivier en de bedding, waarin

14.3. De cyclus van de dalevolutie.

De Amerikaan W.M.Davis (1850-1934) lanceerde

14.4. Dalstelsels.

Als een dalstelsel in een homogene ondergrond ongestoord en volledig tot ontwikkeling kan komen, dan vormt er zich een dendrietisch = boomvormig dalstelsel. NB. Dendron =

14.5. Droge dalen.

Droge dalen = met een germanisme 'droogdalen' = grubben zijn

14.6. Doorbraakdalen.

Vaak zien we, dat een rivier door een gebergte is heengebroken. Men moet zich dan afvragen, hoe dat kon gebeuren.
Er zijn twee

14.7. Dalmeanders.

Het kan voorkomen, dat een meanderende rivier zich begint in te snijden, zoals hij op dat moment toevallig ligt. We spreken dan van ingezonken meanders. In de

15. TERRASSEN.

Een rivierterras = fluviatiel terras is een rest van een vroegere dalbodem. De rivier heeft zich hierin ingesneden en wordt van het terras gescheiden door

15.1. Soorten terrassen.

Hierbij kunnen zich twee gevallen voordoen:

l. Erosieterrassen: de nieuwe insnijding gaat dieper

15.2. Ontstaan van terrassen.

Hoe ontstaan terrassen? De oorzaken van herinsnijding van een rivier kunnen er vele zijn. De drie belangrijkste zijn:
1. Klimaatveranderingen.
2. Veranderingen in

Sub 1. Klimaatveranderingen
In onze streken, nu de gematigde klimaatzone, was

In de praktijk zullen terrassen veelal zijn gevormd door factoren, zoals genoemd onder 1, 2 en 3.

Fig.13. Dalterrassen.

16. VLAKKE RELIËFS.

Inleiding.
Toen we spraken over terrassen, stelden we vast, dat verwering, denudatie en riviererosie sterk variëren met de heersende klimaten.
En daarmee

16.1. Pedimenten.

Pedimenten = voetvlakten zijn flauw hellende

17. RELIËF EN TEKTONISCHE STRUCTUUR.

Bij het bestuderen van reliëfs op het landoppervlak moet men zich

17.1. Cuesta's.

Cuesta's kunnen ontstaan, als er in een gebied een hardere laag ligt, met daarboven en eronder een pakket zachtere lagen, waarbij het geheel

Fig.14. Riviersysteem in een cuestalandschap.

 

18. MEREN.

De bestudering van de geologische aspecten van meren is een onderdeel van de limnologie, oorspronkelijk alleen merenkunde. Nu is

18.1. Ontstaan van meren.

Er zijn tientallen processen, die tot de vorming van meren kunnen leiden. We noemen er enkele:
-- In slenken vinden we tektonische meren. Ze zijn ontstaan door tektonische bewegingen = door vervormingen van de aardkorst = door daling van slenken.

18.2. Water van meren.

Het water van meren kan variëren van zoet tot zout. Dit laatste b.v. in endorheïsche gebieden = gebieden

18.3. Zoutmeren.

Hoe zouten zich kunnen ophopen in afvoerloze meren signaleerden we al. Iets dergelijks gebeurt in depressies in woestijnen, waar meren soms water bevatten en dan weer langdurig droogvallen. Het door oppervlaktewater aangevoerde zout blijft op de bodem achter in de vorm van een zoutkorst, playa of

18.4 . Sedimentatie in meren.

In meren vindt uiteraard sedimentatie plaats. We onderscheiden lacustriene = lacustrische = limnische = in meren voorkomende sedimenten in:
1. klastische sedimenten, aangevoerd door rivieren.
2. biogene

19. ONDERGRONDS WATER.

De geologische deelwetenschap, die zich bezighoudt met zowel grondwater als oppervlaktewater is de hydrologie. Grondwaterhydrologie houdt

19.1. Soorten ondergronds water.

Ondergronds water is te verdelen in twee groepen:
-- het water in de bovenste, onverzadigde

19.2. Grondwaterbeweging.

Grondwater verplaatst zich meestal onder invloed van de zwaartekracht. We volstaan hier met vast te stellen, dat dit horizontaal of verticaal kan zijn, zowel naar boven als naar beneden.
Watervoerende lagen heten aquifers, hetgeen

19.3. Grondwatervoorkomens.

Fig.15. Grondwatervoorkomens.

 

20. AFBRAAK EN OPBOUW DOOR GRONDWATER.

We kennen allen het begrip 'oplosbaar in water'. Als we de oplossingsprocessen geologisch benaderen, dan stellen we vast, dat de oplosbaarheid van gesteenten wordt

20.1. Karstverschijnselen.

Waar kalkgesteente door middel van oplossing wordt aangetast spreken we van karstverschijnselen. De naam is ontleend aan het Karstgebergte = het Adriatische Karstplateau, ten NO van Triëst. Het Sloveense woord kars = krs betekent steen of rots.
Kenmerkend voor zo'n gebied is, dat vrijwel al het regenwater of sneeuwsmeltwater in het gesteente verdwijnt. Er zijn nauwelijks rivieren. Soms kan een rivier aan de voet van een steile helling tevoorschijn komen. We spreken dan van een Vauclusebron.
De gevolgen van de oplossende werking van water op kalkgesteente kan verschillende karstverschijnselen veroorzaken, die we achtereenvolgens zullen bespreken.

Karren. Op het oppervlak van kalk, dolomiet of gips kan corrosie groeven en kammen vormen, die op een hellend oppervlak naar beneden zijn gericht. Vaak doet het patroon denken aan een groot wasbord. De groeven zijn van centimeters tot soms meters diep. Behalve afstromend water kunnen ook microorganismen een rol spelen. Breuken en diaklazen kunnen karren diep doorsnijden.
Ook onder bodems kunnen karren ontstaan. De vorm is dan grilliger.
Karren aan het oppervlak van ons krijt in Zuid-Limburg zijn soms heel fraai te zien, als het krijt wordt 'afgedekt' = vrijgemaakt vóór de exploitatie van het krijtgesteente.Er is dan een grotesk 'maanlandschap' zichtbaar.

Karstdepressies.
In karstgebieden zijn in het onregelmatige reliëf veel gesloten depressies aanwezig, dus zonder afwatering. Ze zijn zelfs kenmerkend voor zo'n gebied.
Ze worden ingedeeld naar

20.2. Karsthydrologie.

Kenmerken van de hydrografie van karstgebieden zijn grote bronnen en het verdwijnen van neerslag en van oppervlaktewater.
Er zijn nogal wat meningsverschillen geweest over het gedrag van bodemwater in karstgebieden. De belangrijkste vraag was, of karstwater zich gedroeg als

20.3. Afzettingen uit grondwater.

Bij verandering van bepaalde omstandigheden kunnen in water opgeloste stoffen tot afzetting komen. Deze veranderingen kunnen betrekking hebben op de druk,de

1. Cementering.
Hierbij worden de poriën van sedimenten opgevuld met mineralen, meestal kalk of kiezel. We komen hierop terug bij het onderwerp diagenese.

2. Gangopvullingen.
Deze vindt men terug als aders in veel gesteenten. Veelal bestaat de opvulling uit kwarts of calciet.

3. Travertijn.
Waar kalkrijk water de oppervlakte bereikt kan er zich kalk afzetten als gevolg van temperatuurverschillen, het ontwijken van gassen, meestal CO2, en drukontlasting. Deze afzetting heet travertijn = kalksinter. Een

21. GEOLOGISCHE WERKING VAN WIND.

In hoofdstuk 12.4 behandelden we al kort het transportvermogen van wind.
We bezien nu het grote

21.1.Winderosie.

Deze kan men onderscheiden in deflatie = afvoeren van materiaal en eolische corrasie = windcorrasie = abrasie = aantasting van

21.2. Eolisch transport.

Zand wordt opgenomen vanaf een windsnelheid van ca. 5 m/sec en een korrelgrootte van ca. 64micron. Zand wordt salterend = springend of repterend =

22. DE GEOLOGISCHE WERKING VAN IJS, SNEEUW EN VORST .

We spraken al veel over de geologische werking van water. Het wordt

22.1. Sneeuw.

De sneeuwgrens is de gemiddelde grens over een aantal jaren, tussen het altijd geheel of gedeeltelijk met sneeuw bedekte gebied en het sneeuwvrij wordende

22.2. IJs en Gletsjers.

Sneeuw kan overgaan in ijs. Een tussenvorm is firn. Tijdens de diagenese verandert de kleur. Firnijs is nog wit en troebel; maar naarmate het luchtgehalte van het ijs

22.3. Periglaciale verschijnselen.

Deze verschijnselen zijn typisch voor de kale of toendragebieden nabij gletsjers en landijs.
Permafrost komt voor in aardlagen, die het jaar rond een temperatuur hebben beneden O°C. De laag erboven, die 's zomers ontdooit en daarna weer bevriest is de opdooilaag = actieve laag. Op het grensvlak

23.1. Oorzaken van ijstijden.

Over de oorzaken van ijstijden bestaan er verschillende hypothesen. Men onderscheidt terrestrische = aardse en extraterrestrische buitenaardse oorzaken.
Van de mogelijke

24. DE ZEE.

De zee bedekt ruim tweederde van het aardoppervlak. Bovendien is 90% van de op het land voorkomende sedimenten van mariene oorsprong. De verdeling tussen

24.1. Waterbeweging in zee.

De belangrijkste waterbewegingen zijn:
-- oppervlaktegolven,die

24.2. De voedselcyclus.

Aan het begin van de voedselcyclus = de biologische voedselketen

24.3. Het zeebodemreliëf.

De samenstelling van de aardkorst onder de continenten en de oceanen verschilt wezenlijk. Onder de oceanen bestaat dekristallijne korst vooral uit relatief SiO2-

24.4. Afzettingen in zee.

Het meeste in zee afgezette

24.5. Bewoningszones in zee.

Wij geven tot slot nog enkele namen van zones, waarin organismen in zeeën voorkomen.
-- de pelagische zone wordt

24.6. Mariene sedimenten en bewoners.

Omdat een groot deel van de oudere mariene

25. KUSTEN.

De grens tussen zee en land is niet een grensvlak, maar een kustlijn of beter

25.1. Rotskusten.

Bij kusten, waar vast gesteente aan de dag treedt vormen zich steile rotswanden. Vooral

25.2. Kusten uit los materiaal.

Door de golfbeweging wordt los materiaal verplaatst loodrecht op de kust. De landinwaartse

25.3. Zeespiegelbewegingen.

Deze zijn geologisch alleen van belang, als het eustatische

26. ZOUT.

26.1. Evaporieten.

Zie ook hoofdstuk 17.3. Zoutmeren.Evaporieten = indampingsgesteenten

27. FOSSIELE BRANDSTOFFEN.

In een kort hoofdstuk bespreken we beknopt de geologisch en voor de mens belangrijke delfstoffen van organische oorsprong, die in Nederland

27.1. Veen, bruinkool, steenkool .

Bruinkool en steenkool ontstaan uit veen door toename van het koolstofgehalte. Dit gaat gepaard met afname van de vluchtigheid, toename van het reflectievermogen

27.2. Aardolie.

Aardolie is een vloeibare fossiele brandstof, een mengsel van koolwaterstoffen, dat voor 83-87% bestaat uit C = koolstof en voor 11-14% uit H = waterstof. Aardolie bestaat uit een hele reeks koolwaterstoffen met verschillend moleculairgewicht.

Fig.26. Carbonisch veenmoeras. (naar Rijks Geologische. Dienst, 1985).

Het ontstaan van aardolie

27.3. Aardgas.

Aardgas kan zich uiteraard nog

28. MINERALEN.

Eerst weer enkele definities.
Een mineraal is een homogeen in de natuur ontstaan bestanddeel van de aardkorst. Hieraan moeten we tegenwoordig toevoegen: of van een ander hemellichaam.
De wetenschap, die zich bezighoudt met de studie van mineralen is de mineralogie.

Zware mineralen = mineralen met een s.g. van meer dan .

28.1 Kristallen.

Krystallos = ijs. De Grieken beschouwden

sub 4. Kristalstelsels.
Met behulp van bovengenoemde hulpmiddelen kan men elke kristalvorm definiëren en indelen in een kristalstelsel.
Gewoonlijk worden de mineralen ingedeeld in zeven kristalstelsels:
-- kubisch.
-- tetragonaal. tetra = vier; gonia = hoek.
-- hexagonaal. hexa =

28.2. Fysische kenmerken.

Voor het determineren van mineralen wordt er gebruik gemaakt van een scala van fysische = natuurkundige kenmerken van het mineraal.

De optische kenmerken en de diverse specifieke kenmerken worden, hoewel strikt genomen ook fysisch, apart behandeld.
1. dichtheid.
2. hardheid.

sub 1. Dichtheid.
Onder de dichtheid van het materiaal verstaat men de gewichtshoeveelheid per volumeeenheid, b.v. grammen per cm³. Men hanteert meestal het begrip s.g. = soortelijk gewicht =

28.3. Optische kenmerken.

Optische kenmerken hangen samen met de invloed van de structuur van het mineraal bij op- en vooral doorvallende lichtstralen.
Men maakt gebruik van de volgende optische eigenschappen:
1. Doorzichtigheid.
2. Terugkaatsing,

28.4. Diverse specifieke kenmerken.

Sommige mineralen hebben specifieke kenmerken, die determinatie mogelijk maken.
Dat kan b.v. betrekking hebben op magnetisme,radioactiviteit,

28.5. Chemische samenstelling en indeling van mineralen .

Dit is wellicht het belangrijkste kenmerk van een mineraal.
Door chemische kwalitatieve analyse = bepalen uit welke elementen .

Klasse 8.
Silicaten = verbindingen met een SiO4-groep.
Vb. ZrSiO4 = zirkoon.
Granaatgroep .
Epidootgroep .
Pyroxeengroep .
Amfiboolgroep , met als voorbeeld
Hoornblende .
Glimmers .
Chlorietgroep . chloros =groen.
Serpentijngroep .
Veldspaatgroep .
met de overbekende voorbeelden: orthoklaas, plagio

28.6. Voorkomen van mineralen.

Zoals gezegd zijn alle gesteenten opgebouwd uit

28.7. Micromounts.

Bij het zoeken zal de verzamelaar vooral belangstelling

28.8. Slakkenmineralen.

Een in populariteit toenemende rnineralenhobby is die van het verzamelen van slakkenmineralen.

29. GESTEENTEN EN GESTEENTEVORMING.

De aarde is, evenals de maan en sommige planeten, opgebouwd uit gesteenten.

Gesteenten zijn aggregaten = opeenhopingen =

29.1. Stollingsgesteenten.

Stollingsgesteenten ontstaan door stolling van magma.
Magma = gesmolten gesteente in de bovenmantel en de onderkorst van de aarde. Magma is een mengsel van silicaten en oxiden met verschillende smeltpunten.

29.3.Concreties en secreties.

Het ontstaan van concreties en secreties valt onder diagenese. Toch wijden we er een apart hoofdstukje aan, omdat deze gesteenten nogal opvallend zijn. We kunnen

Fig.40. Aragoniet. Vergroting 1,2 x.

Fig.41. Achaat. Vergroting 1,2 x.

 

29.4. Metamorfe gesteenten.

NB: Meta = na; morphè = vorm.
Metamorfose = rekristallisatie van gesteente op grote diepte onder invloed van veranderingen in fysische omstandigheden, zoals temperatuur en druk.

29.5. Overige gesteenten.

Voor deze groep resteren alleen nog enkele 'buitenaardse' gesteenten, die op de aarde

30. FOSSIELEN.

Fossielen zijn herkenbare organische resten of sporen = resten of sporen van flora en fauna, die in de aarde bewaard zijn gebleven.
Sommigen voegen hieraan toe 'en die ouder zijn dan 10.000 jaar'. Dat wil dus zeggen, van vóór het Holoceen.

 

30.1. De studie van fossielen.

Paleontologie = de wetenschap van fossielen = de studie van fossielen.

Het doel van de paleontologie is:
-- het bestuderen van fossiele overblijfselen.

Gidsfossielen = fossielen van organismen, die voorkomen in voldoende aantallen in voldoende grote gebieden en die in deze vorm betrekkelijk kort hebben geleefd. Daardoor zijn ze geschikt voor correlatie en relatieve datering,

30.2. Classificatie en naamgeving van fossielen.

Taxonomie = classificatie = systematische indeling = indeling in categorieën aan de hand van internationaal erkende maatstaven. Taxis = rangschikking.

30.3. Geschiedenis.

De oudst bekende classificatie is van Aristoteles .(384-322 v.Chr).

Een klasse wordt onderverdeeld in: orde, familie, genus (geslacht)en species (soort).

Een groep geslachten vormt een familie. De naam eindigt op idae.
Voorbeeld: Hominidae.
Een groep families vormt een orde. De naam

30.4. Naar een moderne taxonomie.

Bovenstaand overzicht begint bij de stam van de gewervelde dieren, maar een volledige taxonomie van de biologie begint bij rijken.
Een regnum = rijk =

30.5. Fossielen van Rijk I: Monera.

De Prokaryoten van het rijk Monera staan aan de basis van de ontwikkeling van alle levende organismen.
Ze zijn fossiel aangetoond in

30.6. Fossielen van Rijk II: Protista.

De Eukaryoten van het rijk

Fig.45. Hystrichosphaeridium stellatum MAIER 1959. Het immobiele ruststadium van een dinoflagellaat, zoals dit fossiel voorkomt in de vuursteen van het Maastrichtien.

Diatomeeën zijn ééncellige algen, die algemeen voorkomen in zout, brak en zoet water. De tweedelige celwand bevat kiezelzuur.

30.7. Fossielen van Rijk III: Plantae = Plantenrijk .

Het Rijk Plantae = Metaphyta = meercellige planten,

30.8. Fossielen van Rijk IV: Fungi.

Tot het Rijk van de zwammen = schimmels behoren organismen als gist, parasitische zwammen, truffels en vele paddestoelen. Ze leven als saprofiet of

30.9. Fossielen van Rijk V: Animalia = dierenrijk.

Fossiele resten van dierlijke organismen zijn veel talrijker

Fig.51. Favosites, Devoon, Eifel. (naar Zittel, 1915)

 

31. FOSSIELE SPOREN VAN LEVENDE ORGANISMEN.

In hoofdstuk 30 bespraken we fossiele resten van organismen. De resten

31.1. Loopsporen.

Repichnia = kruipsporen, bewegingssporen, zwemsporen.
Fugichnia =vluchtsporen. Hieronder

31.2. Kruipgangen en boorgaten .

Hiertoe behoren b.v. Fodinichnia = voedingsgangen en Pascichnia =

31.3. Aanhechtingssporen.

Aanhechtingssporen van organismen zijn b.v. bekend van

31.4. Vraatsporen e.d.

Dieren die zich voeden met andere levende of dode dieren verorberen hun prooi soms niet geheel. Dan kunnen etensresten of aangevreten prooidieren fossiliseren.
Voorbeelden:
Er zijn zeeëgels uit het Krijt van Zuid-Limburg bekend met vraatsporen.

31.5. Sporen van parasieten en ziekten.

Paleopathologie = ziekte bij fossiele organismen.
Organismen kunnen zijn aangetast door parasieten of

31.6. Nesten en Holen .

Domichnia = Domichni = woongangen = sporen

31.7. Uitwerpselen.

Uitwerpselen = afvalstoffen van de spijsvertering van levende organismen zijn in velerlei vorm als fossiel bekend.
Coprolieten = fossiele uitwerpselen

31.8. Gastrolieten.

Gastrolieten = Gastrolithen = maagstenen, die

31.9. Voortplantingssporen.

Fossiele eieren zijn bekend van verschillende dieren.
Zie b.v. hoofdstuk 31.6 laatste alinea.

32. DE GEOLOGISCHE COLLECTIE.

Het opzetten van een geologische verzameling is een bezigheid, die iedere geoloog

32.1. Verzamelen.

Voor het verzamelen van fossielen,

32.2. Preparenen en Conserveren.

Uitprepareren en conserveren doet U zo veel mogelijk thuis.
Als een vondst is gevat in gesteente kunt U thuis bekijken, of

32.3. Determineren .

Voor het determineren van Uw vondsten is er een schat aan literatuur beschikbaar, van eenvoudig tot zeer specialistisch.
De NGV kan U hierbij op verschillende manieren van dienst zijn.
-- de NGV-bibliotheek bevat werken per streek en per onderwerp. Zie adres achterin dit boek.
-- op bijeenkomsten kunt U vondsten laten determineren en kunt U er met anderen over spreken. Er is daar altijd wel iemand, die U zelf kan helpen of U kan verwijzen naar deskundigen, die U vooruit willen en kunnen helpen.

32.4. Documenteren.

Zorg er voor, dat van al Uw vondsten gegevens voorhanden zijn over de vindplaats, vondstomstandigheden e.d. Bij het uitwisselen van gegevens met anderen en

32.5. Het bewaren van een verzameling.

Hoe U uw verzameling opbergt is

32.6. Lakprofielen .

Profielen van de wand van ontsluitingen kunnen interessant zijn, als er laagstructuren, storingen of bodemprofielen op te zien zijn. Deze kunt U vaak goed vastleggen in lakprofielen, die

33. DE AMATEUR EN DE GEOLOGIE.

Er is alle reden om een stellig vertrouwen te hebben in een nuttige samenwerking

33.1. Levenssporen.

Een amateur uit Drenthe heeft jarenlang gegevens verzameld over levenssporen van organismen = fossiele sporen van activiteiten van vooral dieren.
Zijn aanpak was breed. Hij betrok hierin loopsporen, boorgaten, graafgangen, bouwen van nesten, schuilplaatsen, enz.
Over zijn werk rapporteerde hij al in 1969 in een tweetal gedegen artikelen in 'Grondboor & Hamer'.

Een amateur uit Winterswijk verzamelde geologie.

naar Geologie in Telgramstijl
naar Inhoudsopgave
naar Literatuurlijst

Geologische Tijdschaal

naar Geologie in Telgramstijl
naar Inhoudsopgave
naar Literatuurlijst

 

Trefwoordenregister

Aanhechtingssporen
Aanrijkingshorizon
Aardas 2
Aardbeving 2
Aarde
Aardgas 2
(Aard)-kern
(Aard)-korst
(Aard)-mantel
Aardmagnetisme
Aardolie
Aardwetenschappen
Ablatie
Abrasie 2 3
Abraumsalze
Abri's
Absolute datering 2 3
Absolute ouderdomsbepaling
Abyssale vlakten
Abyssale zone
Acanthodii
Accumulatie 2 3 4
Accumulatieterrassen
Accumulatievlakte
Acervularia
Achaat (-en) 2 3
Acnidaria
Acrania
Acrosalenia
Acrotretid
Activeringsanalyse
Actualisme
Adobe
Aëroob
Afdruk(-en) 2 3 4 5
Afglijdingsmeanders
Afschuivingen 2
Afzetting(-en) 2 3
Agens 2 3
Aggradatie
Agnatha 2
Agrohydrologie
Algen 2 3 4 5
Alikruik
Alkaliveldspaat 2
Allerød
Allochtoon
Alphastralen
Alpiene orogenese 2
Alveole
Amalgamen
Amandelsteen
Amber
Ambulacraalvelden
Amethist
Amfibolietfaciës
Amfiboolgroep
Ammonia
Ammonieten 2 3
Amphibia 2
Amphineura 2
Anadiagenese
Anaërobe 2 3 4
Anastomoseren
Andesiet
Angiospermae 2
Angulaire water
Anhedrisch
Anhydriet 2
Animalia 2
Anionen
Anionengroepen
Annelida 2
Anodonta
Anoxisch
Antecedente rivier
Anthozoa 2
Anthropogeen
Anticlinalen 2
Anticlinorium
Apertuur
Apliet
Appalachisch reliëf
Aquifers
Arachnida
Aragoniet 2 3 4 5
Arbacioida
Archaeïcum
Archaeopteryx 2
Archeomagnetisme
Arenicola
Arenieten
Aride 2 3
Aristoteles
Arkose
Armkieuwigen 2
Armpotigen
Artesisch water
Arthropoda 2 3
Articulata 2 3
Aschelminthes
Asfalt
Assise
Associatie
Asteroceras
Asteroidea 2
Asterostomatina
Asterozoa 2
Asymmetrische dalstelsels
Atelostomata 2
Atlanticum
Atollen 2
Attritie
Authigenese
Autochtoon
Autotroof2
Aves 2 3
Axtinopterygii
Azonale processen
Baardwormen
Bactrites
Badlands
Barchanen
Bariet
Barnsteen 2 3 4
Barrièreriffen 2
Basalt 2 3
Basaltische magma
Basaltzuilen
Basisconglomeaat
Batholieten 2
Bathyale zone
Batoida
Bedektzadigen 2
Beenvissen 2
Belemnieten 2
Bellerophon
Bentheimer zandsteen
Benthonisch 2 3
Benthos
Bergkristal
Bètastralen
Bewaren van een verzameling
Bewoningszones in zee
Bezinking
Bezinkingssnelheid
Bifurcation ratio
Bilobieten
Binaire nomenclatuur
Binomische
Binomische nomenclatuur
Biofaciës
Biogene
Biogene afzetting
Biogene sedimenten
Biogenetische
Biogliefen
Biohermen
Biohorizont
Bioklasten 2 3 4
Bioliet
Biologische niche
Biosfeer 2 3
Biostratigrafie 2
Biostroom
Biotiet 2 3
Bioturbaties
Bitumen
Bitumina
Bivalven 2
Bivalvia 2
Bladgroen
Blastoidea
Blauwgroene algen
Blauwwieren
Bliksembuis 2
Blikseminslag
Bloedsteen 2
Bloksplijting
Bodemclassificatie
Bodemkunde
Bodemlast 2
Bodemprofiel
Bogazi
Bølling
Bolussen
Boorgaten
Boormossel (-s)
Boorsponzen
Boreaal
Borstelvarens
Borstelwormen
Bothriocidaroida
Boulderclay
Brachiopoda 2 3
Bradyodonti
Branchiotremata 2 3
Branchiura
Breccies
Brekingsindex 2
Breuk 2 3 4
Breuken 2 3 4
Breuktrappen
Bron
Bronstijd
Bruinkool 2 3 4
Bryophyta 2
Bryozoa 2
Buccinum
Buideldieren
Buidelstralers
Buikpotigen
Burrows
Calamites 2
Calcarea
Calcareniet
Calciet 2 3 4 5 6
Calcretes 2
Caldera
Caledonische orogenese 2
Caliches 2
Callianassa
Calliostoma
Cambrium 2 3
Camerata
Campostromatoidea
Capillair water
Carapax
Carbonicola
Carbonisatie 2
Carboon
Cardium
Carnivoren
Carpoidea
Cassiduloida
Cementering 2 3
Cementkwartsieten
Cephalocardia
Cephalon
Cephalopoda 2
Cephalopoden 2
Ceratites
Cerithium
Cerithiumklei
Chaetognatha
Chalcedoon 2
Chelicerata
Chemische processen
Chemische sedimenten 2 3
Chert 2 3
Chestnutbodems
Chlamys
Chloriet 2 3
Chlorietgroep
Chlorofyl
Chondrichthyes 2
Chondrites
Chordadieren 2
Chordata 2 3
Chronostratigrafie 2 3
Chrysopaas
Cidaroida
Cirque
Cirripedia 2
Citrien
Classificatie 2 3 4 5 6 7
Cleavage
Cliona 2
Cloacadieren
Clionidae
Clypeaster
Clypeasterina
Clypeasteroida
Cnidaria 2
Coccolithophoren
Coelenterata 2 3 4
Coelopleuris
Coesiet
Cohesie 2
Colluvium
Columella
Compactie 2 3
Competent gesteente
Competente snelheid
Concaaf 2 3
Conchifera 2 3
Concordant 2
Concreties 2 3
Congelifluctie
Conglomeraten
Coniconchia
Connaat water 2 3 4
Conoclypina
Conodonten
Consequente rivieren
Conserveren
Consolidatie
Contactmetamorfose 2 3 4
Continentverschuivingen
Contintaal plat
Contractietheorie
Conulus
Conus
Convectiestromen 2
Convex
Convexe oevers
Copeland
Copepoda
Coprolieten
Cordaitales
Cormophyta
Correlatie 2 3 3 4
Cosmografie
Craniota
Creep 2 3 4
Crepidula
Crinoidea 2
Crinoiden
Crinozoa 2
Crustacea b
Cryptisch millieu
Cubichnia 2
Cuesta
Cuticula
Cyanobacteria
Cyanophyta 2
Cyathophyllum
Cyclocystoidea
Cyclotheme 2
Cyclustheorie van Davis
Cypraea
Cystoidea
Cytoplasma
Dactylioceras
Daldichtheid
Dalevolutie
Dalgletsjers
Dalmeanders
Dalstelsels
Dalvormende rivieren 2
Davis, W.M 
Debiet2 3 4 5
Decapoda
Deflatie 2 3 4 5
Deformatie 2 3
Degenkrab
Degradatie
Dekblad
Dekzand 2 3 4
Del
Delta 2
Demospongiae
Demosponzen
Dendrieten
Dendrietisch
Dendrograptus
Dentalium
Denudatie 2
Denudatiebasis
Desertpavement
Desintegratie
Desquamatie 2
Determinatie
Determineren
Detritische 2
Devoon
Diabaas 2
Diadematoida
Diagenese 2
Diaklazen 2
Diadematacea
Diasteem
Diatomeeën 2 3
Diatomeeënslib
Diatomiet 2
Dichtheid
Dicotylen 2
Didelphia
Dieptegesteenten 2
Diepzeetroggen 2 3
Dilatatie
Dinoflagellaten 2
Dioriet 2
Dip slope
Disconformiteit
Discordant
Divergerend
Divergerend patroon
Documenteren van vondsten
Dolerieten
Dolines
Dolomiet
Dolomitisatie
Domichni
Domichnia 2
Donken
Doorbraakdalen
Doorzichtigheid
Draadwormen
Drachenfelstrachiet
Drift
Driftstromen
Droogdalen
Druipsteen
Drukgelaagdheid
Drukontlasting
Druksplijting 2
Dryas 2 3 4
Duinen
Duinpan
Duizendpoten
Duricrusts 2
Dwarsduinen
Dynamische metamorfose
Echinacea 2
Echinocorys
Echinocystitoida
Echinodermata 2 3 4
Echinoida 2
Echinoidea
Echinolampas
Echinoneina 2
Echinothuroida
Echinozoa 2 3
Ectoproct 2 2
Edelstenen
Edrioasteroidea
Eembodem
Eéncelligen
Eénzaadlobbigen
Eerstelingen
Efemere rivieren 2
Effluent
Elasmobranchia
Elementen
Eleuterozoa
Elsterien
Eltvillertuf 2
Endemisch
Endichnia
Endogene krachten
Endogene processen
Endorheïsche gebieden
Ensemble
Entelophyllum
Entoprocta 2 3
Eoceen
Eolisch 2 3
Eolisch transport
Eolische ablatie
Eolische corrasie
Epibiont
Epicentrum
Epichnia
Epicontinentale bekkens
Epicontinentale zeeën 2
Epidermisplooiing
Epidootgroep
Epifyt
Epigenese
Epigenetisch dal
Epigenetische mineralen
Epilimnion
Epilithe
Epirogene meren
Epirogenese 2 3 4 5 6
Episodische rivieren
Epixatie
Epizoair
Equisetophyta 2
Era
Eratheem
Erg
Erosie 2
Erosiebasis 2
Erosieterrassen
Erosievlakte
Erratica
Ertsgangen
Ertswinning
Erupties
Estuaria
Estuarium
Etage
Euchinoidea
Eukaryota
Eukaryoten 2
Eumetazoa
Eustatische 2 3
Euthycarcinoida
Eutroof 2
Evaporieten 2 3 4
Evolutie 2
Exfoliatie 2
Exichnia
Exogene processen 2
Exogeologie
Explosiekrater
Extraterrestrische
Extrusiegesteente
Faciës
Faciësfossiel
Familie
Fauna
Favosites 2
Felsische mineralen
Fenokristen
Ferricretes
Ficus
Firn
Firnbekken
Fissidentalium
Fjorden
Flagellaten 2
Flexibilia
Flexuren
Flint
Flora
Fluorescentie
Fluoriet
Fluviatiel-denudatieve reliëf
Fluvioglaciale afzettingen
Flysch 2
Fodinichnia 2
Foramen
Foraminiferen
Formatie
Fosfaatafzettingen
Fosfaten
Fosforiet
Fosforieten
Fosforietknollen
Fossiele brandstoffen 76
Fossiele sporen
Fossielen
Fossilisatie
Fragmocoon
Franjeriffen
Freatische vlak
Ftaniet
Fugichnia 2
Fulguriet 2
Fumarolen
Fungi 2
Fusulinina
Fyla
Fylliet
Fylogenetische verwantschap
Fylum 2
Fytolieten
Fytoplankton 2 3
Gabbro
Galeniet
Gammastralen
Ganggesteenten
Gangopvullingen
Garnalen
Gasbronnen
Gastrioceras
Gastrolieten
Gastropoda
Gelede wormen
Geleedpotigen 2
Gelifluctie 2
Gelivatie
Gemmologie
Genetische eenheden
Genus
Geochemie

Geoden 2
Geodesie
Geodynamica 2
Geofysica
Geohydrologie 2
Geologie
-algemene
-dynamische
-fysische
-structurele
-tektonische
Geologische geschiedenis
Geologische Tijdschaal
Geologische verzameling
Geomorfologie 2 3
Geosynclinalen
Geotektoniek 2
Geothermische gradiënt
Geregenereerd water
Geslacht 2
Gesteenten
Gesteentetellingen
Getijstromen 2 3
Getuigeberg
Gewervelde dieren
Geysers 2
Gidsfossiel(-en) 2
Gingko
Gips 2
Git
Glabella
Glaciaal
Glaciaal dal
Glaciale erosie
Glaciale meren
Glaciatie
Glaciologie
Glans
Glassponzen
Glauconia
Glauconiet
Glauconietkorrels
Gletsjerkrassen
Gletsjers
Gleybodems
Glimmers
Glimmerschist
Globigerinen
Globigerinenslik
Glycymeris
Gnathostomata 2
Gneis 2
Gondwana
Goniatites
Gors
Graafgangen
Graafvoetigen
Gradiënt 2
Gradiëntstromen
Granaatgroep
Graniet 2
Granietische magma
Granuliet
Graptolieten 2
Graptolites
Graptolithina 2
Grauwacke
Gravitatieve bewegingen
Grind
Grindtellingen
Grindvloertjes
Groenschist
Groenschistfaciës
Groep
Grondboringen
Grondwater
Grondwaterspiegel
Grondwaterveen
Grotten
Grubben
Gryphaea
Guano
Günz
Gymnospermae 2
Gyrolithes
Haaien
Haakombuiging 2
Häckel
Hadale zone
Haematiet
Hagedissen
Halfwaardetijd
Haliet 2
Halogeenverbindingen
Halokinese
Hamites
Hammada
Hardground
Hardheid 2
Hardheidsschaal
Hardwaterlagen
Hartschelp
Helicoïdale stroming
Helicoplacoidea
Heliolieten
Hellingprocessen
Hematiet 2 3
Hemiasterina
Hemichordata 2
Hemicidaris
Hemicidaroida 2
Hemipneustes
Herbivoren
Hercynische orogenese 2
Hesemann, formule van
Heterotroof
Hexagonaal
Hexagonaria
Hexapoda
Holaster
Holasteroida
Holecephali
Holectypina
Holectypoida
Holen
Holoceen
Holothuroidea
Holotype
Holtedieren
Homalozoa
Homo erectus
Homo habilis
Homo sapiens 2
Hooggebergte
Hoornblende
Hoornrots 2
Horizont van Nagelbeek
Horizont(-en) 2
Horsten
Horton, wetten van,
Huidje
Hyalospongia
Hydratatie 2
Hydrogeologie 2
Hydroïdpoliepen
Hydrolakkolieten
Hydrologie 2
Hydrolyse
Hydrosfeer
Hydrothermale gangen
Hydrothermische metamorfose
Hydroxiden
Hypichnia
Hypocentrum 2
Hypolimnion
Hypostoma
Hypsometrische kaart
Ichnogenus
Ichnologie 2 3
Ichnospecies
Ichthyosaurus
Ignimbriet
Iguanodonten
IJslenzen
IJstijden 2 3
IJzerconcreties
IJzeroer
IJzertijd
Imbrikatie 2
Impact
Inadunata
Inarticulata 2
Incompetent gesteente
Indampingsgesteenten
Indruk
Influent
Inkolingsreeks
Inktvissen
Insecta 2
Inselberge
In situ
Insolatie
Inspoelingshorizon
Interambulacraalvelden
Interglaciaalen (alen) 2
Intermitterende rivieren
Interstadiaal(-en)
Intrazonale processen
Intrusielichamen
Intrusies
Irregulaire zeeëgels
Irregularia
Jama's
Jura
Jurassisch reliëf 2
Juveniel
Juveniel water
Kaaklozen
Kaar 2
Kalkalgen
Kalkareniet
Kalkbranderijen
Kalkknollen
Kalkkorsten
Kalkoölieten
Kalksinter
Kalksponzen
Kalksteen
Kalktuf
Kamduinen
Kamptozoa 2
Kanaal
Karaat 2
Karneool
Karren
Karsthydrologie
Karstverschijnselen 2 3
Kationen
Kauri
Kegelkarst
Kegelschelpjes
Keienvloertje
Keileem 2 3
Keukenzout
Keuper
Keverslakken
Kiezelconcreties
Kiezelkorsten
Kiezeloölietgrinden
Kiezelzuurgroep 83
Klapperstenen 98
Klasse
Klastisch(e) 2
Klastisch sedimenten 2
Klei
Kleur
Kleurindex
Klieving
Klimaten 2
-aride
-semi-aride
-mediterrane
-tropische savanne
Klippen
Kloofdal
Knopstralers
Koem
Kokerwormen 2
Kokkels
Kolonie
Koninkrijken 2
Koolwaterstoffen
Koppotigen 2
Koraalsponzen
Koralen 2
Korrelgrootte
Korund
Kosmisch stof
Kosmopolitisch
Kraagdieren
Kraakbeenvissen
Krabben
Krater
Kratonen
Kreeften
Krijt
Krijtfossielen
Krimpscheuren
Kristalassen
Kristallen
Kristallografie
Kristalroosters
Kristalstelsels 2
Kristalstructuur
Kristalwater
Kritische snelheid
Krokodillen
Kronkelberg
Kruipen
Kruipgangen
Kruipsporen
Kryoturbatie
Kubisch
Kunstmatige systemen
Kustdrift
Kusten
Kustvlakte
Kwalitatieve analyse
Kwallen
Kwantitatieve analyse
Kwartair 2
Kwarts
Kwartsiet
Kwel
Kwelder
Laag
Laagland
Laccolieten
Lacustriene
Laganina
Lagunes 2 3
Lakprofielen
Lamellibranchiata 2
Laminaire stromingen
Laminatie(s) 2
Landijs
Landtongen
Lapilli
Laterale erosie
Latiet
Latosols
Lava 2
Lawine(s) 2
Ichnofauna
Leem 2
Lei
Leisplijting 2
Lengteduinen
Lens
Lepidodendron
Lepidostrobus
Levenssporen
Ligniet
Lijduinen
Limnologie 2 3
Limoniet 2
Lingoïde
Lingula
Lingulida
Linnaeus 2
Lithificatie
Lithofaciës
Lithologie 2
Lithophaga lithophaga
Lithosfeer
Lithosfeerplaten
Lithostratigrafie
Lithostrotion
Littorale zone
Littorina
Load casts
Loodglans
Loodzand
Loopsporen 2
Lophophora
Lopolieten
Loricata
Löss
Lösspoppetjes
Luminiscentie
Lutieten
Lutum
Lycopodiophyta
Lycopsida
Lydiet 2
Maagstenen
Maaren
Maashagedis
Macrofossielen
Mafische mineralen
Magma 2
Magnesiet
Magnoliophyta 2
Malachiet
Malacostraca 2
Mammalia 2
Mammoetboom
Mangaanknollen
Mantelschelpen
Markasiet 2
Marmer
Marsupia
Martinson, classificatie van
Massabeweging
Meanderende rivieren 2 3
Meercelligen
Mega-annum
Megascopisch gesteente
Melkkwarts
Member
Meren
Merostomata
Mesa
Mesheften
Mesofossielen 2
Mesolithicum
Mesotroof 2
Mesozoa
Metabolisme
Metamorfose 2 3
Metaphyta
Metasomatose
Metazoa
Meteorieten 2 3
Meteorisch water
Meyeria
Michelina
Micraster
Micrasterina
Microfossielen
Micromounts
Microtektoniek
Middengebergte
Migreren 2
Milankovitch
Mindel
Mineraalinhoud
Mineralen
-fysische kenmerken
-optische kenmerken
Mineralogie 2
Mioceen
Moedermateriaal
Moerasijzererts
Moeraskalk
Mohoroviçic
Molasse 2
Mollusca 2
Molukkenkreeft
Monadnocks
Monera 2
Monoclinale rug
Monocotylen 2
Monocraterion
Monodelphia
Monograptus
Monoklien
Monomineraal
Monoplacophora 2
Monotremata
Moore R.C.
Morenes
Morfogenese
Morfologie 2 3
Mosasaurus
Mosdiertjes 2 3
Mosplanten
Mosselkreeftjes
Mossels
Muiltje
Mummificatie
Munsell-kleurenkaart 82
Murex
Muschelkalk 2
Muscoviet
Myophoria
Myriopoda
Mystacocarida
Naaktzadigen 2
Naamgeving 2 3
Nannofossielen
Nannoplankton
Natica
Natuurlijke bouwstenen
Natuurlijke systemen
Nautilus
Nekton
Nemathelminthes
Nemertea
Neolampadoida
Neololithicumum
Neptunisme
Nerietische zone
Nesten
Neteldieren 2
Neuropteris
Niche
Nievelsteiner zandsteen
Nodosaria
Nomenclatuur 2
Nucula
Nummeren
Nummulieten
Nunataks
Obductie
Obolellida
Obsequente rivieren
Obsidiaan 2 3
Octocorallia
Octopus
Oesters
Oeverwallen
Ofocalciet
Oilpool
Oiltrap
Olifantstandjes
Oligoceen
Oligotroof
Olivijn
Ombrogeen veen
Omgekeerde metamorfose
Omloopberg
Omnivoren
Ompolingen
Ondersoort
Onthoofding
Ontogenese
Ontologie
Onyx
Oöieden
Oölieten 2
Oöliticia
Opaak
Opaal
Ophidia
Ophiocistoidea
Ophiomorpha
Ophiuroidea
Oppervlaktegolven
Opschuiving 2
Opvriezen
Orbitoïden
Orde
Ordovicium
Organismen
Organogene duinen
Organogene sedimenten
Orgelpijpen
Orogenese 2 3 4 5
Orogenetische bewegingen
Orthida
Ortho
Orthogneis
Orthoklaas
Oscillaties
Osculum
Osteichthyes
Osteologie
Ostracoda
Ostracoden
Ostrea
Ouderdomsbepaling
Overschuiving(-en) 2
Oxiden
Oxydatie
Paalworm 2
Paardenstaarten 2
Paddestoelrotsen
Palaechinoida
Paleobiologie
Paleobotanie
Paleoceen
Paleoecologie 2
Paleogeografie
Paleoichnologie
Paleoklimaten
Paleolithicum
Paleomagnetisme 2
Paleomilieu
Paleontologie 2
Paleopathologie
Paleosols
Paleovulkanisme
Paleozoölogie
Palimpsest
Palynologie
Pandemisch
Pangea 2
Para
Paraboolduinen
Paragneizen
Paramoedra's
Parasiet
Parasitisch
Parataxonomisch
Parazoa
Parent
Pascichnia
Paterinida

Pecopteris
Pecten
Pediment(-en) 2
Pedina
Pedinoida 2
Pediplains
Pedogenese
Pegmatiet 2
Pegmatitisch gesteente
Pek 2
Pelagisch(-e) 2
Pelecypoda
Pelliculair
Pelmatozoa
Peneplain 2
Pentamerida
Pentastomida
Pentremites
Perichoechinoidea
Peridotiet 2
Periglaciale
Periglaciale meren
Periglaciale verschijnselen
Periode
Periodiek systeem
Perm
Permafrost 2 3 4 5
Permeabiliteit 2 3
Petricolidea
Petrografie 2
Petrologie 2
Pholadidae
Phoronida
Phragmatoppoma lapidosa
Phylloceras
Phymosomatoida
Piedmont fans
Pijlwormen
Pingo's
Pinna
Pinnulae
Pinophyta 2
Pisces
Plaatkieuwigen
Placentadieren
Placentalia
Plagioklaas
Planaties
Plankton
Plantae 2
Platentektoniek
Platwormen
Platyhelminthes 2
Playa 2 3
Pleistoceen 2
Pleistocene zoogdieren
Pleniglaciaal
Pleocyemata
Plesiocidaroida
Plesiosaurus
Pleurae
Plica
Plioceen
Plooien
Plooigordels
Plooiing(-en) 2
Plutonen
Plutonieten
Plutonische gesteenten
Plutonisme 2 3
Pluvialen
Podsolic
Podzol
Podzolprofiel
Pogonophora
Poikilitische textuur
Poljes
Pollen 2
Pollenanalyse
Polychaeta
Polydora
Polygenetische bodems
Polygonen
Polyplacophora
Polypodiophyta 2
Ponoren
Populatie
Porfieren 2
Porfierische textuur
Poriënwater 2
Porifera 2
Porositeit
Posidonia
Posidoniën
Potamides
Preboriaal
Precambrium
Precipitatie 2
Prepareren
Primaten
Prioriteitsregel 106
Processen
-azonale
-endogene
-exogene
-intrazonale
-zonale
Progressieve sortering
Prokaryota
Prokaryoten 2
Proterozoïcum
Protista 2 3
Protophyta
Protozoa
Psammechinus
Psammieten van Condroz
Pseudofossiel
Pseudomorf
Psilopsida
Psilotophyta
Pteropsida
Puimsteen
Puinwaaier(-s) 2 3
Pycnogonida
Pygaster
Pygasteroida
Pygidium
Pygurus
Pyriet 2 3 4 5
Pyrometamorfose
Pyroxeengroep
Pyroxeniet
Radiair patroon
Radioactiviteit
Radiolariën 2
Radiolariet 2
Ras
Recent
Reductie
Refractie
Regime
Regionale metamorfose
Regnum
Regoliet
Regressie
Regressiegrind
Regressievlak
Regulaire zeeëgels
Regularia
Rekristallisatie 2 3
Rekzones
Relatieve datering(-en) 2 3
Relictstructuur
Reliëf 2 3 4 5
Reliëfvormen
Reliktbodems
Rendzina's
Repichnia 2
Repterend
Reptilia 2
Resequente rivieren
Reservoirgesteente
Residu
Resistentie
Restbergen
Reticuloceras
Retrogade
Revinienkwartsiet
Rhizopoda 2
Rhynchocoela
Rhynchonellida
Rhyncolites
Rhynia
Ribkwallen
Riffen 2
Rijken 2
Ringwormen 2
Riss
Rivierduinen 2
Rivieren
Rivierpatronen
-anastomoserend
-divergerend
-radiair
Rocourt bodem
Rogerella
Roggen
Rompvlakten
Rookkwarts
Rostrum
Rotliegendes 2 3
Rotulina
Rozenkwarts
Rugosa
Saalien
Salenioida
Salina 2
Saliniteit 2
Saltatie 2
Sandr
Saprofiet
Saprofytisch
Sapropeel 2
Sarcopterygii
Sauria
Scaphopoda 2
Scaphopoden 2
Schaaldieren 2
Schalie 2 3 4
Schiervlakte(n) 2 3
Schietende
Schijnfossiel
Schildpadden
Schimmels 2
Schist 2
Schizophyta
Schoklamellen
Schollen
Schollentektoniek
Schoorwallen
Schor
Schubboom
Sciadopytys
Scleractinia 2
Sclerospongiae 2
Sclerosponzen
Scultellina
Sea floor spreading
Secreties
Sedentair
Sedeplain
Sediment
Sedimentatie 2
Sedimentatieterrassen
Sedimentgesteenten 2 3
Sedimentologie 2
Selachii
Segregatie
Segregatieijs
Seilacher, classificatie van
Seismologie
Sepia
Septaria
Sequentie
Sequoiadendron
Sericiet
Serie
Serir
Serpentijngroep
Serpula 2
Serpulidae
Sessiel
Sfaleriet
Sferoïdale desintegratie
Sheet flood 2
Sheet wash
Sheeting
Shelf 2
Shelfzeeën
Sideriet 2 3 4
Sifo
Sigillaria
Sikkelduinen
Silcretes 2 3
Silex
Silicaten
Silicificatie
Sills
Silt 2
Siltsteen
Siluur
Sintels
Siphunculoidea
Sipuncula
Situ
Skelet
Skolithos linearis
Slakken 2
Slakkenmineralen 2
Slangen
Slangsterren
Slenken 2
Slib
Slump
Sneeuw
Snoerwormen
Solifluctie
Solum
Somasteroidea 2
Soort 2
Spatangoida
Species
Speleologie
Sphagnales
Sphenopteris 2
Spinachtigen
Spinel
Spira
Spiriferen
Spiriferida
Splijting 2
Spoelpedimenten
Spoelvlakten 2
Spoelzandvlakten
Spondylus
Sponslichaam
Sponsnaalden
Sponsriffen
Sponzen 2
Sporen
Sporenelementen 2
Spuitwormen
Squamata
Strophomenida
Stadialen
Stalactieten
Stalagmieten
Stam
Stammen
Steeneter
Steenkernen
Steenkool
Steenzout 2
Stekelhuidigen 2 3
Stigmaria
Stollingsgebieden
Stollingsgesteenten
Stone lines
Stoottanden
Strandwallen
Stratigrafie 2 3 4 5
Stratigrafie van het Krijt
Stratigrafische correlatie
Stratum
Streckeisen, ruit van 2
Streep
Streepduinen
Stromatoporen 2 3
Stromatoporenriffen
Stroming
Stroomgebied 2
Stroomribbels
Stroomsnelheid
Structurele geologie
Structuur 2 3
Structuurbodems
Stuifmeel
Stuifzanden
Stuwwal
Stylolieten 2
Subatlanticum
Subboreaal
Subductie
Subglaciale gesteenten
Sublimatie
Submariene gesteenten
Subsequente rivier
Subspecies
Sulfaten
Sulfiden
Superfamilie
Superpositie
Suspensie 2
Suspensiemateriaal
Sutuur
Syeniet
Symmetrie 2
Synclinalen
Synclinorium
Synform
Syngenese
Syngenetische mineralen
Syringopora
Systeem
Systematische paleontologie
Tabulaten
Tafelberg
Tardiglaciaal
Taunuskwartsiet
Taxonomie 2 3
Teer
Tektieten 2 3 4
Tektoniek 2
Tektonisch venster
Tektonische meren
Tellurisch
Tentaculata
Tepelhoorn
Terebratula grandis
Teredinidae
Teredo
Teredo navalis
Terraskruising
Terrassen
Terrestrische
Terrigene afzettingen
Tertiair 2
Terugkaatsing 2
Terugschrijdende (erosie)
Tetragonaal
Textuur 2 3
Thallophyta
Theca
Thermale bronnen
Thermische gradiënt
Thermische metamorfose
Thermokarstmeren
Thorax
Tigillites
Tijd
Tijdvak
Tijdschaal
Tillieten
Toetssteen
Topogeen veen
Torenkarst
Tornatella
Torrentiële stromingen
Toxasterina
Trachiet
Transgressies 2
Travertijn 2 3
Trepostomaten
Trias 2
Trigonaal
Trigonia
Triklien
Trilobieten 2 3
Trilobita
Trilobitoidea
Trilobitomorpha
Tsjernosem
Tsunami('s) 2 3
Tuf(-fen) 2
Tufkrijt
Tunicata
Tunneldal
Turbidieten 2 3 4
Turbulente stromingen
Turritella 2
Tweekleppigen 2 3
Tweezaadlobbigen
Typeexemplaar
Typelokatie
Tyrannosaurus
Uitspoelingshorizon
Uitstroomopening
Uitvloeiingsgesteente(n) 2 3 4
Uitwerpselen 2
Umbo
Uniformitarisme
Uvala's
Vagiel
Valsnelheid
Varanen
Varens
Varische orogenese
Varven 2
Vauclusebron
Veen
Veenmosveen
Vegetatie 2 3 4
Veldspaatgroep
Verbogen terras
Verdwijngaten
Vergletsjering
Verhang
Verkiezeling
Verlandingsveen
Verschuiving
Vertebrata 2
Verwering 2 3
Verweringsleem 2
Verwilderde (rivieren)
Verzamelen
Vishagedis
Vlechtende rivieren 2
Vloeien 2
Vloeitextuur
Vluchtsporen 2
Voedselcyclus 2
Voetvlakten
Vogels 2
Vondstomstandigheden 2
Voortplantingssporen
Vorstcreep
Vorstheuvels
Vorstscheuren
Vorstverwering 2
Vorstwiggen
Vraatsporen 2 3
Vulkanieten
Vulkanisch glas 2
Vulkanisme 2 3 4 5 6
Vulkanologie
Vuursteen 2 3
Vuursteeneluvium 2
Vuursteenmijnbouw
Waddengebieden
Wadi
Warnetonbodem
Wateraders
Waterhuishouding
Waterscheiding 2
Watervlooien
Weekdieren 2
Wegener 2
Weichselien 2 3
Whittaker
Wind 2
Windcorrasie 2
Winderosie 2
Windkanters
Windkeien
Woestijnen 2
Woestijnlak
Woestijnroos
Wolfsklauwen 2
Wormgangen
Wormkokertjes
Wrijfspiegels
Wrijvingsbreccie
Wulk
Würm 2
Xenolieten
Xyliet
Zaadvarens
Zaagvissen
Zand 2
Zandsteen 2 3
Zandtongen
Zechstein
Zee
Zeeanemonen
Zeebevingen
Zeebodemreliëf
Zeedadel
Zeeëgels 2
Zeekat
Zeekomkommers
Zeelelies
Zeepokken
Zeespiegelbewegingen
Zeespinnen
Zeesterren
Zeolietfaciës
Zijp
Zinkblende
Zirkoon
Zoarium
Zoetwatermossel
Zoetwaterzakken
Zonale processen
Zoogdieren 2 3 4
Zoöplankton
Zoutafzettingen 2
Zouten
Zoutkoepels
Zoutkorst(-en) 2
Zoutmeren
Zoutpijlers
Zouttektoniek
Zuurgraad 2 3
Zuurstofisotopen
Zuurstofrevolutie
Zwaarspaat
Zwammen
Zwerfsteengezelschappen
Zwerfsteentellingen

naar Geologie in Telgramstijl
naar Geologische Tijdschaal
naar Inhoudsopgave
naar Trefwoordenregister

Literatuur

Een keuze uit geraadpleegde en lezenswaardige literatuur:

GRONDBOOR & HAMER, 1955 - heden, Tijdschrift van de Nederlandse Geologische Vereniging (zesmaal per jaar).

SPREKENDE BODEM, 1956 - heden, Tijdschrift van de afdeling Limburg van de NGV. (viermaal per jaar).

STARINGlA 1 t/m 7, Speciale uitgaven van de NGV.

ALLABY, A. and ALLABY, M, 1990, The Concise Oxford Dictionary of Earth Sciences, Oxford University Press, Oxford/New York.

BATES, D.E.B. en J.F. KIRKALDY,1977, Moussault, Baarn.

BATES, R.L. and J.A. JACKKSON (eds), 1987, 3rd ed, Glossary of Geology, American Geological Institute, Alexandria, Virginia, US.

BAUER, J, 1974, Welk mineraal is dat?, Thieme, Zutphen.

BEURLEN, K, 1977, Geologie, Thieme, Zutphen.

BISHOP, A.C, A.R. WOOLLEY, W.R.HAMILTON, 1978 3e druk, Elseviers stenengids, Stenen, mineralen, fossielen. Elsevier, Amsterdam/Brussel.

BROMLEY, R.G, 1990, Trace Fossils. Biology and Taphonomy, Unwin Hyman, London.

BROUWER, dr.A, 1959, Algemene paleontologie, Academische Bibliotheek W. de Haan, Zeist.* Standaard Boekhandel

BROWN, P.L, 1978, Planeet aarde in kleur, Moussault, Baarn.

BRUIN de, drs.H, M.W.HALSEMA, dr.G.M.N. VERSCHUUREN, 1988, Oculair, Van cel tot populatie. Kroese Leiden.

CAMBRIDGE ENCYCLOPEDIE van de NATUURWETENSCHAPPEN, 1983, Unieboek, Bussum.

The New ENCYCLOPAEDIA BRITTANNICA, 15th edition, 1977 en 1986.

FABER, F.J, 1967, De bekoring van het zoeken, Elsevier, Amsterdam/Brussel.

FABER, F.J, 1979, Hoe Nederland ontstond, Servire, Katwijk.

FELDER, P.J, 1981, Mesofossielen in de kalkafzettingen uit het Krijt van Limburg, Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg,reeks XXXI, afl. 1-2.

HALSTEAD, L.B, 1983, Op zoek naar de oertijd, Zomer en Keuning, Ede/Antwerpen.

HICKMAN, Cleveland P, gl961 2e druk, Integrated principles of zoology, The C.Y.Mosby Company, St. Louis

KIRKALDY, J.F, 1972, Fossielen in kleur, Moussault, Amsterdam.

Grote Nederlandse LAROUSSE ENCYCLOPEDIE, 1978.

LEHMANN, Ulrich, Paläontologisches Wörterbuch, 1977, Enke Verlag, Stuttgart.

LIJN v.d., P, 1973 6e druk, 1986 7e druk, bewerkt door dr.G.J.Boekschoten, Het Keienboek,Mineralen, gesteenten en fossielen in Nederland, Thieme, Zutphen.

MOORE, R.C, Directed and Edited by, 1953.. , Treatise on Invertebrate Paleontology, University of Kansas Press and The Geological Society of America, Kansas/New York.

MOXELY, R, 1981, De prehistorische wereld, ICOB, Alphen a.d. Rijn

MÜLLER, dr.A.H, 1965 2e druk, Lehrbuch der Paläozoologie, Band 11 Invertebraten, deel 1: Protozoa - Mollusca I, deel 2: Mollusca 2 - Arthropoda 1, deel 3: Arthropoda 2 - Stomochorda, VEB Gustav Fischer Verlag Jena.

MUROWSKI, Hans, Geologisches Wörterbuch, Enke Verlag, Stuttgart.

O'DONOGHUE, M, 1985 3e druk, Het Stenenboek, Zomer en Keuning, Ede.

PANNEKOEK, A.J, (redactie),1973, 1982 3e druk, 1984 4e druk, bewerkt door L.M.J.U. van Straaten, 1992 5e druk, Algemene Geologie, Tjeenk Willink, Zwolle/Groningen.

PAPE, H, 1975, De Stenenverzamelaar, Thieme, Zutphen.

PINNA, G, 1973, Fossielen, Gaade, s'Gravenhage.

RICHTER, A.E, 1985, Fossielen verzamelen, Thieme, Zutphen.

SCHUMANN, W, 1985, Elseviers gids voor stenen en mineralen, Elsevier, Amsterdam.

SMITH, dr.Peter J, 1987, De Aarde, Elsevier, Amsterdam/Brussel.

TUREK, Vojtech, Jaroslaw MAREK, Josef BENES, 1988, 1990 2e druk. De grote encyclopedie der Fossielen, Artia, Praag, Ned.Vertaling 1989, Rebo Productions, Lisse.

VEENVLIET, drs. Jaap, 1986, Kijk op Geologie, Zomer en Keuning, Ede/Antwerpen.

VISSER, W.A, (editor), 1980, Geological Nomenclature. Uitgave van het K.N.G.M.G.­Kon.Ned.Geol.en Mijnbouwk.Genootschap, Bohn, Scheltema en Holkema, Utrecht/Martinus Nijhoff, Den Haag, Boston, Londen.

VOGEL, Günther en Hartmut ANGERMANN, 1967, Sesam Atlas bij de biologie, Ned.vertaling 1970, Bosch en Keuning, Baarn.

WHITTAKER, R.J, Een nieuwe indeling van de organismen, Natuur en Techniek nr.107.

WHITTEN, D.G.A, with J.R.V.BROOKS, 1972 le druk, 1976, A Dictionary of Geology, Penguin Books.

ZONNEVELD, J.I.S, 1981 le druk, Vormen in het landschap, Hoofdlijnen van de geomorfologie. Een overzicht van de aard en het ontstaan van de vormenwereld van het aardoppervlak, Aulapaperback 58, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.