|
1. INLEIDING.
Allang waren wij er ons van bewust, dat er behoefte was aan een ruggesteuntje voor beginnende en gevorderde amateurs om hun geologische kennis,
vooral t.a.v. de betekenis en inhoud van geologische begrippen en namen, op een eenvoudige wijze op te frissen en uit te bouwen.
Deze behoefte bleek tijdens de bijeenkomsten van de Nederlandse Geologische Vereniging en van de NGV. afdeling LImburg.
Deze bijeenkOllsten worden bijgewoond zowel door beginnenden als door doorgewinterde amateurs en vakgeologen.
Tijdens lezingen en besprekingen worden er uiteraard geologische woorden en uitdrukkingen gebruikt. Hierbij is het vrijwel onmogelijk
om een zodanige spreektaal te kiezen, dat alle toehoorders deze begrippen direct kunnen plaatsen.
Zo kwamen wij op de gedachte om hieraan tijdens elke bijeenkomst aandacht te schenken. Sinds 1985 heeft de schrijver telkens een korte inleiding
gehouden van 15 à 20 minuten, waarin geologische begrippen kort werden gedefiniëerd. Begrippen en omschrijvingen uit de geologie werden zo beknopt
mogelijk in hun verband gebruikt, om hun betekenis te verduidelijken.
De opzet is zodanig gekozen, dat de geologie op eenvoudige, voor ieder begrijpelijke wijze wordt doorgenomen.
Deze formule voldeed en zo ontstonden de 'Telegramstijlen'.
Toen de serie was afgerond voelde menigeen de behoefte, om de behandelde stof in gemakkelijk hanteerbare vorm bij de hand te hebben.
Daarom besloten wij tot het uitgeven van deze beknopte 'Algemene Geologie'.
Het is vooral de bedoeling aankomende amateurs kennis te laten maken met de geologische terminologie en verder om de kennis van
gevorderden zo nu en dan een ruggesteuntje te geven.
Voor het opzoeken van geologische woorden en termen in de tekst kan men gebruik maken van het alfabetische trefwoordenregister.
Wij hopen, dat 'Geologie in Telegramstijl' een nuttig naslagwerkje zal blijken te zijn.
Iemand, die dieper in wil gaan op de betekenis, de inhoud en de samenhang van de gebruikte begrippen zal zich in de betreffende literatuur moeten verdiepen.
Hiertoe is een beknopte bibliografie opgenomen.
Verdere studie bevelen wij de gebruikers van dit handboekje van harte aan.
Nog een praktische opmerking: Op heel veel plaatsen is het = -teken gebruikt tussen namen en begrippen. Dat wil zeggen, dat het synoniemen betreft
voor globaal hetzelfde begrip. De schrijver is er zich van bewust, dat er verschillen bestaan in exakte betekenis of gevoelswaarde tussen
bv. de woorden groot = enorm = omvangrijk. Toch is er gekozen voor het = - teken omwille van de beknoptheid.
Allen aan wie ik advies of hulp vroeg reageerden direkt positief. Dit begunstigde het werk. aan het boek in hoge mate.
Enkelen van hen, wiens deskundigheid ik bewonder en die ik als goede vrienden beschouw wil ik met name bedanken.
W.M. Felder uit Vijlen en H. Huisman uit Lieveren lazen zorgvuldig het manuscript en maakten veel nuttige opmerkingen. J.Jagt uit Venlo en E. Vanes uit Beek deden
hetzelfde met resp. de hoofdstukken Fossielen en Mineralen.
C. Rademakers uit Heerlen maakte veel fraaie en duidelijke tekeningen. Bovendien corrigeerde hij de tekst, verzorgde hij de lay out en maakte hij het boek drukklaar.
Hen en vele anderen ben ik veel dank verschuldigd.
Heerlen, voorjaar 1992. EC. Kraaijenhagen.
Opmerking: Er zijn daar waar nodig wijzigingen aangebracht gedurende het opzetten voor deze website door G. Brouwers. e.a.
2. GEOLOGIE.
Geologie = aardkunde = de wetenschap,
die zich bezig houdt met het ontstaan van de aarde, met de studie
van de bouw en de samenstelling van de aarde,
de processen die zich erin en erop afspelen en de
historie hiervan.
NB. Ge = aarde. Logos = wetenschap, betekenis, kunde (grieks).
Algemene geologie = de leer van de geologische
processen.
Men verstaat onder algemene geologie ook wel: de leer
van de geologische krachten = dynamische geologie.
Deze krachten kunnen fysisch, chemisch of
organisch zijn
Aardwetenschappen = de wetenschappen,
die zich bezighouden met
2.1. Deelwetenschappen van
de geologie.
De geologische wetenschap omvat verschillende disciplines
= deelwetenschappen.
Hiervan noemen we:
historische geologie = studie van de chronologische
geschiedenis van de aardkorst (vooral beoefend door stratigrafen).
stratigrafie = studie van sedimentgesteenten
in hun
2.2. Werkmethoden in de geologie
.
Men kan geologie benaderen vanuit:
1.huidige waarneembare processen en deze 'terugvertalen'.
2. waarnemingen aan objecten en
sub 1. Men noemt dit actualisme = vergelijking
van huidige
2.3. Geologische processen.
In de geologie onderscheidt men twee soorten processen:
endogene processen = de oorsprong,
de krachtbron ligt in de aarde zelf.
exogene processen = de werking komt van buitenaf, uit
de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer.
3. DE AARDE.
De aarde is één van de hemellichamen van ons zonnestelsel
en meer in het bijzonder van het planetenstelsel van
de zon.
De exogeologie is de studie van de buitenaardse
geologie = de geologie van de buitenaardse hemellichamen.
Wij zullen ons alleen bezighouden met de geologie .
3.1. Gegevens over de aarde.
De aarde bestaat al meer dan 4.5 miljard jaar. Met het ontstaan
van een harde korst, meer dan 3.8 miljard jaar geleden, ontstaan
er omstandigheden, waarin men van geologie kan spreken.
Het is opvallend, dat er (geologisch gezien) kort daarna
3.2. De aardkorst.
Als we het oppervlak van de aarde bezien, dan kunnen we vaststellen,
dat de continenten ca. 35% van het oppervlak beslaan en als
grote plateaus boven de oceanen uitsteken.
De oceanen beslaan ca. 65%. Over grote gebieden zijn ze tussen
4. TIJD IN DE GEOLOGIE EN GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS.
In de geologie worden twee methoden voor ouderdomsbepaling
gebruikt: de absolute - en de relatieve
ouderdomsbepaling.
4.1. Relatieve ouderdomsbepaling.
Relatieve ouderdomsbepaling berust op superpositie en
op evolutie van organismen.
Het wordt gebruikt voor stratigrafische correlatie
= het bepalen van gelijktijdigheid van b.v. afzettingen
op enige afstand van elkaar.
Superpositie = het hoger of lager
4.2. Stratigrafie.
Stratigrafie = de tak van de geologie,
die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen in
de aardkorst.
Lithostratigrafie = de tak van de stratigrafie, die
zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen op basis
van gesteentekenmerken = van de lithologie
= gesteentekunde van de lagen.
Een Horizon = Horizont is het
scheidingsvlak tussen twee lagen = een laagvlak.
Een lithostratigrafische Horizont = een scheidingsvlak =
Genetische eenheden zijn eenheden,
die op eenzelfde manier zijn ontstaan.
Een sequentie = een opeenvolging van
boven elkaar liggende lagen in een gebied.
Accumulatie = afzetting van

Fig.2. Cyclotheem in de kalksteen van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg.
(Naar W.M.Felder, 1975)
Een ander voorbeeld van een cyclische opeenvolging is die in
het Boven-Carboon van steenkool, schalie, zandige schalie en
zandsteen.
Een lens = een gesteentelichaam, dat
aan beide zijden uitwigt en op niets uitloopt.
Een huidje =een laagje of bedekking
dunner dan l cm.
Een wat langere onderbreking heet een disconformiteit.
Liggen de lagen van vóór en na de onderbreking evenwijdig, dan
liggen ze concordant. Maken ze een hoek
met elkaar, dan liggen ze discordant.
Voorbeeld: het in Zuid-Limburg afgezette Krijt op het geplooide
Carboon.

Fig.3. Discordante ligging van het Boven-Krijt op het Boven-Carboon
in Zuid-Limburg.
(gedeeltelijk naar W.J. Jongmans, 1937)
Een Groep = Assise (Frans)
= meerdere
4.3. Absolute ouderdomsbepaling.
De belangrijkste methoden van absolute ouderdomsbepaling
maken gebruik van het feit, dat radioactieve elementen
uiteenvallen met een constante halfwaardetijd.
Van veel van deze elementen
4.4. Activeringsanalyse.
Hoewel niet goed passend in een hoofdstuk over tijd in de
geologie, maar direct aansluitend aan 4.3. noemen we hier kort
een methode, om gesteenten te determineren door middel van de
z.g. activerings-analyse.
Als men een gesteente bestraalt in een kernreactor, worden bepaalde
sporenelementen = slechts in
5. DE GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS VAN
DE AARDE EN VAN NEDERLAND.
Eerst een inleidende opmerking.
Als er in de volgende teksten sprake is van 'ons gebied', dan
is hiermee ons land (en omgeving) bedoeld, zoals het zich nu
bevindt op ons continent. De lokalisering
PRECAMBRIUM. tot 590 miljoen jaar.
De oudste geologische Periode is het Precambrium,
CAMBRIUM. 590 - 505 miljoen jaar.
Er zijn grote epicontinentale zeeën =
zeeën, die de continenten
ORDOVICIUM. 505 - 438 miljoen jaar.
Grote delen continent vallen droog. Tegen het Midden-Ordovicium
zijn er weer enorme epicontinentale zeeën.
Het klimaat is over het algemeen vrij
KWARTAIR. 2 miljoen jaar - heden.
Het Kwartair wordt onderverdeeld in het Pleistoceen en het
Holoceen.
Van onze mogelijke directe voorouders noemen we:
Homo habilis, 2.3 à 1.7 miljoen
jaar.
Homo erectus, 1.5 miljoen -
200.000 jaar.
Homo sapiens,
6. STRUCTURELE GEOLOGIE.
Endogene krachten = krachten vanuit
de aarde zelf kunnen het materiaal van de aardkorst deformeren
= vervormen.
Deze deformatiewordt bestudeerd in
de tektonische = structurele geologie.
De structurele geologie houdt zich

Fig.5 Diverse tektonische deformatieplooien.
De strukturele geomorfologie legt er de nadruk op, dat
reliëfs, landschappen, insnijdingen, enz. weliswaar worden gevormd
door specifieke processen, maar dat het resultaat sterk afhangt
van de omstandigheden ter plaatse, zoals:
- de weerstand van het gesteente tegen

Fig.6. Inwelving en opwelving van plooienstelsels
6.1. Plooien.
Plooien = plooiingen = flexuren
zijn vervormingen, waarbij lagen zijn verbogen, zonder
dat desamenhang is verbroken.
Een plooi heeft flanken = vleugels en
6.2. Breuken.
Breuken zijn deformaties, waarbij
de cohesie = samenhang van het gesteente
aan beide zijden van het breukvlak ten opzichte van elkaar
is verbroken.
Als de gesteentepakketten aan beide zijden van de breuk nièt
.

Fig.7. Twee voorbeelden van tektonische verschuivingen.
Afschuiving: het breukvlak helt
7. GEOTEKTONIEK.
Geotektoniek heeft betrekking op processen van wereldomvattende
omvang. Het voorvoegsel geo duidt op een wereldwijde
betekenis.
Geotektoniek = beweging van grote delen van de aardkorst,
zoals
7.1. Orogenese.
Op een geologische wereldkaart kunnen we relatief smalle,
intensief geplooide zones over de hele aarde vervolgen. Deze
heten orogenen. Een orogeen is
In Europa kennen we sinds het Cambrium =
de laatste 590
7.2. Epirogenese.
Epirogenese = rijzen en dalen van
grote delen van de aardkorst.
Het gesteente is hierbij niet of nauwelijks
7.3. Krachten in de geotektoniek.
Verschillende theorieën over de oorzaken van de geotektonische
bewegingen in de aardkorst hebben, al opgeld gedaan. We duiden
ze kort even aan.
-- de contractietheorie,
7.4. Vulkanisme.
Vulkanisme is het geheel van processen,
die samenhangen met het verplaatsen van materiaal uit het binnenste
der aarde tot aan of nabij de oppervlakte.
Vulkanologie is de tak van
8. EXOGENE PROCESSEN.
In 2.3. noemden we al de exogene processen,
die hun oorsprong vinden in werking op de aardkorst van
buitenaf, n.l. vanuit de atmosfeer, hydrosfeer en
biosfeer.
Hierbij krijgen we te maken met klimaten,
verwering,
8.1. Klimaten.
Exogene processen zijn in hoge mate afhankelijk van het klimaat
ter plaatse. Op het land zijn de belangrijkste elementen die
het klimaat bepalen: de neerslag
8.2. Meteorieten.
Meteorieten zijn stukken van hemellichamen, die de
dampkring van de aarde zijn binnengedrongen.
Slechts een klein deel bereikt ook de aarde.
Er zijn duizenden vondsten
8.3. Blikseminslag.
Een fulguriet = bliksembuis
= meestal
9. VERWERING.
Gesteenten kunnen verweren door mechanische = fysische
en door chemische processen. Bij
fysische verwering valt het gesteente in kleinere delen uiteen,
zonder dat
9.1. Mechanische verwering.
De mechanische verwering = desintegratie
= afbraak in kleinere delen door mechanische processen
speelt slechts in enkele klimaatomstandigheden een hoofdrol.
We onderscheiden hierbij:
1. vorstverwering.
2. insolatie.
3. biologische
9.2. Chemische
verwering.
Bij chemische verwering treden er reacties op tussen gesteentemineralen
en van buiten werkende agentia. Hierbij moet als eerste
water worden genoemd. Water is zelf chemisch actief, rnaar
10. BODEMKUNDE.
De bodemkunde houdt zich bezig met de ondiepe ondergrond tot
een diepte van ca. 1.5 m en het aanrakingsvlak tussen
atmosfeer en aarde. Ze bevindt zich hierbij in gezelschap van
de kwartairgeologie, biologie, sedimentologie, geohydrologie
en
10.1 . Bodemvorming.
Een belangrijk proces, dat zich afspeelt dicht onder het aardoppervlak,
is de pedogenese = bodemvorming.
Het woord bodem heeft in dit verband een veel engere
betekenis, dan
11. HELLINGPROCESSEN.
Nauwelijks enig stukje aardoppervlak is werkelijk vlak en
horizontaal. Omdat er dus overal kleine of grote, flauwe of
steile hellingen zijn, zal het U niet verbazen, dat hellingprocessen
11.1. Belang van hellingprocessen.
Hellingprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in:
-- het leveren van verweringsmateriaal aan
11.2. Verplaatsing van materiaal.
Omdat hellingprocessen dus kennelijk belangrijk zijn voor de
samenleving gaan we eens na; hoe verweringsdeeltjes worden verplaatst.
a) vallen en rollen. Losgeraakte deeltjes
Fig.11. Bodemtransport bij hellingprocessen.
.11.3. Invloed op hellingprocessen.
We sommen in het kort op, welke factoren de hellingprocessen
beïnvloeden:
-- klimaat: regenval, sneeuw, vorst, verdamping.
--vegetatie: dichte vegetatie
11.4. Vormen van hellingen.
Onder invloed van hellingprocessen kunnen hellingen verschillende
vormen aannemen: recht, convex =
beneden steiler, concaaf = bovenaan
steiler, getrapt of combinaties van deze vormen
12. TRANSPORT EN AFZETTING VAN SEDIMENTAIRE
DEELTJES.
Transport van deeltjes vindt plaats door water van
zee en rivieren, door wind, sneeuw
en ijs.
12.1. Sedimentaire
deeltjes.
Sedimentologie = de studie van sedimentaire
afzettingen en hun vorming. Een sediment
= afzetting = sedimentaire afzetting = een
hoeveelheid vast materiaal, verhard of niet
12.2. Soorten stromingen.
Stromingen van water en lucht verplaatsen deeltjes over de
aarde. In rivieren ontstaan stromingen door de zwaartekracht,
12.3. Transport en sedimentatie in water.
Sediment kan in stromend water worden vervoerd:
-- door rollen of schuiven over de bodem.
12.4. Transport en sedimentatie door
wind.
De valsnelheid van deeltjes in
12.5. Transport en sedimentatie door
golven.
Golven ontstaan gewoonlijk door wind. Ze kunnen ver
12.6. Sedimentaire deformatiestructuren.
Dit zijn deformaties =
vervormingen, die voorkomen in afzettingen.
We noemen er in het kort enkele.
Levende organismen veroorzaken bioturbatie = verstoringen
13. RIVIEREN.
Rivieren zijn behalve de afvoerwegen voor water van
neerslag, smeltwater en grondwater ook de vervoerders van afbraakproducten.
Zodoende
13.1 . Indeling van rivieren.
Men kan rivieren indelen op grond van verschillende criteria.
a) naar hun vorm.
b) naar de herkomst
sub a. Indeling naar de vorm van de loop.
1. Dalvormende rivieren .
Als de erosie overheerst vormt de rivier een kloof of een dal.
De gradiënt is dan groot en het bodemmateriaal wordt
afgevoerd
13.2. De waterhuishouding.
Onder de waterhuishouding = het regime
van een rivier verstaat men het debiet
de afvoer, zoals die verloopt in een heel jaar en
de
13.3. Vervoer van sedimentair materiaal
in rivieren.
Eerder bespraken we al, dat water materiaal kan vervoeren,
hetzij als suspensiemateriaal = suspensielast,
hetzij als bodemmateriaal = bodemlast.Dit
laatste betreft
Fig.12a. Erosie en sedimentatie door een meanderende
rivier.

Fig.12b. Schema van een riviermeander.
14. HET FLUVIATIEL-DENUDATIEVE RELIËF
Sprekend over het reliëf raken we de kern van de geomorfologie,
die reliëfvormen als
14.1. Dalvorming.
Verschillende riviertypen oefenen een verschillende eroderende
werking uit.
-- dalvormende rivieren hebben
14.2. Dalprofielen.
Het dwarsprofiel van een dal bestaat uit een dalwand,
waarop denudatie plaatsvindt, een dalbodem met de
alluviale vlakte van de rivier en de bedding,
waarin
14.3. De cyclus van de dalevolutie.
De Amerikaan W.M.Davis (1850-1934)
lanceerde
14.4. Dalstelsels.
Als een dalstelsel in een homogene ondergrond ongestoord en
volledig tot ontwikkeling kan komen, dan vormt er zich een dendrietisch
= boomvormig dalstelsel. NB. Dendron =
14.5. Droge dalen.
Droge dalen = met een germanisme 'droogdalen'
= grubben zijn
14.6. Doorbraakdalen.
Vaak zien we, dat een rivier door een gebergte is heengebroken.
Men moet zich dan afvragen, hoe dat kon gebeuren.
Er zijn twee
14.7. Dalmeanders.
Het kan voorkomen, dat een meanderende rivier zich begint
in te snijden, zoals hij op dat moment toevallig ligt. We spreken
dan van ingezonken meanders. In de
15. TERRASSEN.
Een rivierterras = fluviatiel terras is een
rest van een vroegere dalbodem. De rivier heeft zich hierin
ingesneden en wordt van het terras gescheiden door
15.1. Soorten terrassen.
Hierbij kunnen zich twee gevallen voordoen:
l. Erosieterrassen: de nieuwe insnijding
gaat dieper
15.2. Ontstaan van terrassen.
Hoe ontstaan terrassen? De oorzaken van herinsnijding van
een rivier kunnen er vele zijn. De drie belangrijkste zijn:
1. Klimaatveranderingen.
2. Veranderingen in
Sub 1. Klimaatveranderingen
In onze streken, nu de gematigde klimaatzone, was
In de praktijk zullen terrassen veelal zijn gevormd door factoren,
zoals genoemd onder 1, 2 en 3.
Fig.13. Dalterrassen.
16. VLAKKE RELIËFS.
Inleiding.
Toen we spraken over terrassen, stelden we vast, dat verwering,
denudatie en riviererosie sterk variëren met de heersende
klimaten.
En daarmee
16.1. Pedimenten.
Pedimenten = voetvlakten zijn
flauw hellende
17. RELIËF EN TEKTONISCHE
STRUCTUUR.
Bij het bestuderen van reliëfs op het landoppervlak
moet men zich
17.1. Cuesta's.
Cuesta's kunnen ontstaan, als er in een gebied een hardere
laag ligt, met daarboven en eronder een pakket zachtere lagen,
waarbij het geheel
Fig.14. Riviersysteem in een cuestalandschap.
18. MEREN.
De bestudering van de geologische aspecten van meren is een
onderdeel van de limnologie, oorspronkelijk
alleen merenkunde. Nu is
18.1. Ontstaan van meren.
Er zijn tientallen processen, die tot de vorming van meren
kunnen leiden. We noemen er enkele:
-- In slenken vinden we tektonische meren.
Ze zijn ontstaan door tektonische bewegingen = door vervormingen
van de aardkorst = door daling van slenken.
18.2. Water van meren.
Het water van meren kan variëren van zoet tot zout. Dit laatste
b.v. in endorheïsche gebieden = gebieden
18.3. Zoutmeren.
Hoe zouten zich kunnen ophopen in afvoerloze meren signaleerden
we al. Iets dergelijks gebeurt in depressies in woestijnen,
waar meren soms water bevatten en dan weer langdurig droogvallen.
Het door oppervlaktewater aangevoerde zout blijft op de bodem
achter in de vorm van een zoutkorst,
playa of
18.4 . Sedimentatie in meren.
In meren vindt uiteraard sedimentatie plaats. We onderscheiden
lacustriene = lacustrische =
limnische = in meren voorkomende sedimenten in:
1. klastische sedimenten, aangevoerd door rivieren.
2. biogene
19. ONDERGRONDS WATER.
De geologische deelwetenschap, die zich bezighoudt met zowel
grondwater als oppervlaktewater
is de hydrologie. Grondwaterhydrologie
houdt
19.1. Soorten ondergronds water.
Ondergronds water is te verdelen in twee groepen:
-- het water in de bovenste, onverzadigde
19.2. Grondwaterbeweging.
Grondwater verplaatst zich meestal onder invloed van de zwaartekracht.
We volstaan hier met vast te stellen, dat dit horizontaal of
verticaal kan zijn, zowel naar boven als naar beneden.
Watervoerende lagen heten aquifers,
hetgeen
19.3. Grondwatervoorkomens.

Fig.15. Grondwatervoorkomens.
20. AFBRAAK EN OPBOUW DOOR GRONDWATER.
We kennen allen het begrip 'oplosbaar in water'. Als we de
oplossingsprocessen geologisch benaderen, dan stellen we vast,
dat de oplosbaarheid van gesteenten wordt
20.1. Karstverschijnselen.
Waar kalkgesteente door middel van oplossing wordt aangetast
spreken we van karstverschijnselen.
De naam is ontleend aan het Karstgebergte = het Adriatische
Karstplateau, ten NO van Triëst. Het Sloveense woord kars
= krs betekent steen of rots.
Kenmerkend voor zo'n gebied is, dat vrijwel al het regenwater
of sneeuwsmeltwater in het gesteente verdwijnt. Er zijn nauwelijks
rivieren. Soms kan een rivier aan de voet van een steile helling
tevoorschijn komen. We spreken dan van een Vauclusebron.
De gevolgen van de oplossende werking van water op kalkgesteente
kan verschillende karstverschijnselen veroorzaken,
die we achtereenvolgens zullen bespreken.
Karren. Op het oppervlak van kalk,
dolomiet of gips kan corrosie groeven en kammen vormen,
die op een hellend oppervlak naar beneden zijn gericht. Vaak
doet het patroon denken aan een groot wasbord. De groeven zijn
van centimeters tot soms meters diep. Behalve afstromend water
kunnen ook microorganismen een rol spelen. Breuken en diaklazen
kunnen karren diep doorsnijden.
Ook onder bodems kunnen karren ontstaan. De vorm is dan grilliger.
Karren aan het oppervlak van ons krijt in Zuid-Limburg
zijn soms heel fraai te zien, als het krijt wordt 'afgedekt'
= vrijgemaakt vóór de exploitatie van het krijtgesteente.Er
is dan een grotesk 'maanlandschap' zichtbaar.
Karstdepressies.
In karstgebieden zijn in het onregelmatige reliëf veel gesloten
depressies aanwezig, dus zonder afwatering. Ze zijn zelfs kenmerkend
voor zo'n gebied.
Ze worden ingedeeld naar
20.2. Karsthydrologie.
Kenmerken van de hydrografie van karstgebieden zijn
grote bronnen en het verdwijnen van neerslag
en van oppervlaktewater.
Er zijn nogal wat meningsverschillen geweest over het gedrag
van bodemwater in karstgebieden. De belangrijkste vraag was,
of karstwater zich gedroeg als
20.3. Afzettingen uit grondwater.
Bij verandering van bepaalde omstandigheden kunnen in water
opgeloste stoffen tot afzetting komen. Deze veranderingen kunnen
betrekking hebben op de druk,de
1. Cementering.
Hierbij worden de poriën van sedimenten opgevuld met mineralen,
meestal kalk of kiezel. We komen hierop terug bij het onderwerp
diagenese.
2. Gangopvullingen.
Deze vindt men terug als aders in veel gesteenten. Veelal bestaat
de opvulling uit kwarts of calciet.
3. Travertijn.
Waar kalkrijk water de oppervlakte bereikt kan er zich kalk
afzetten als gevolg van temperatuurverschillen, het ontwijken
van gassen, meestal CO2, en drukontlasting. Deze
afzetting heet travertijn = kalksinter.
Een
21. GEOLOGISCHE WERKING VAN WIND.
In hoofdstuk 12.4 behandelden we al kort het transportvermogen
van wind.
We bezien nu het grote
21.1.Winderosie.
Deze kan men onderscheiden in deflatie
= afvoeren van materiaal en eolische
corrasie = windcorrasie =
abrasie = aantasting van
21.2. Eolisch transport.
Zand wordt opgenomen vanaf een windsnelheid van ca. 5 m/sec
en een korrelgrootte van ca. 64micron. Zand wordt salterend
= springend of repterend =
22. DE GEOLOGISCHE WERKING VAN IJS,
SNEEUW EN VORST .
We spraken al veel over de geologische werking van water.
Het wordt
22.1. Sneeuw.
De sneeuwgrens is de gemiddelde grens over een aantal
jaren, tussen het altijd geheel of gedeeltelijk met sneeuw bedekte
gebied en het sneeuwvrij wordende
22.2. IJs en Gletsjers.
Sneeuw kan overgaan in ijs. Een tussenvorm is firn.
Tijdens de diagenese verandert de kleur. Firnijs is nog
wit en troebel; maar naarmate het luchtgehalte van het ijs
22.3. Periglaciale verschijnselen.
Deze verschijnselen zijn typisch voor de kale of toendragebieden
nabij gletsjers en landijs.
Permafrost komt voor in aardlagen, die het jaar rond
een temperatuur hebben beneden O°C. De laag erboven, die 's
zomers ontdooit en daarna weer bevriest is de opdooilaag
= actieve laag. Op het grensvlak
23.1. Oorzaken van ijstijden.
Over de oorzaken van ijstijden bestaan er verschillende hypothesen.
Men onderscheidt terrestrische =
aardse en extraterrestrische buitenaardse
oorzaken.
Van de mogelijke
24. DE ZEE.
De zee bedekt ruim tweederde van het aardoppervlak. Bovendien
is 90% van de op het land voorkomende sedimenten van mariene
oorsprong. De verdeling tussen
24.1. Waterbeweging in zee.
De belangrijkste waterbewegingen zijn:
-- oppervlaktegolven,die
24.2. De voedselcyclus.
Aan het begin van de voedselcyclus =
de biologische voedselketen
24.3. Het zeebodemreliëf.
De samenstelling van de aardkorst onder de continenten en
de oceanen verschilt wezenlijk. Onder de oceanen bestaat dekristallijne
korst vooral uit relatief SiO2-
24.4. Afzettingen in zee.
Het meeste in zee afgezette
24.5. Bewoningszones in zee.
Wij geven tot slot nog enkele namen van zones, waarin organismen
in zeeën voorkomen.
-- de pelagische zone wordt
24.6. Mariene sedimenten en bewoners.
Omdat een groot deel van de oudere mariene
25. KUSTEN.
De grens tussen zee en land is niet een grensvlak, maar een
kustlijn of beter
25.1. Rotskusten.
Bij kusten, waar vast gesteente aan de dag treedt vormen zich
steile rotswanden. Vooral
25.2. Kusten uit los materiaal.
Door de golfbeweging wordt los materiaal verplaatst loodrecht
op de kust. De landinwaartse
25.3. Zeespiegelbewegingen.
Deze zijn geologisch alleen van belang, als het eustatische
26. ZOUT.
26.1. Evaporieten.
Zie ook hoofdstuk 17.3. Zoutmeren.Evaporieten
= indampingsgesteenten
27. FOSSIELE BRANDSTOFFEN.
In een kort hoofdstuk bespreken we beknopt de geologisch en
voor de mens belangrijke delfstoffen van organische oorsprong,
die in Nederland
27.1. Veen, bruinkool, steenkool
.
Bruinkool en steenkool ontstaan uit veen door toename van
het koolstofgehalte. Dit gaat gepaard met afname van
de vluchtigheid, toename van het reflectievermogen
27.2. Aardolie.
Aardolie is een vloeibare fossiele
brandstof, een mengsel van koolwaterstoffen,
dat voor 83-87% bestaat uit C = koolstof en voor 11-14% uit
H = waterstof. Aardolie bestaat uit een hele reeks koolwaterstoffen
met verschillend moleculairgewicht.

Fig.26. Carbonisch veenmoeras. (naar Rijks Geologische. Dienst,
1985).
Het ontstaan van aardolie
27.3. Aardgas.
Aardgas kan zich uiteraard nog
28. MINERALEN.
Eerst weer enkele definities.
Een mineraal is een homogeen in de natuur ontstaan
bestanddeel van de aardkorst. Hieraan moeten we tegenwoordig
toevoegen: of van een ander hemellichaam.
De wetenschap, die zich bezighoudt met de studie van mineralen
is de mineralogie.
Zware mineralen = mineralen met een s.g. van meer dan
.
28.1 Kristallen.
Krystallos = ijs. De Grieken beschouwden
sub 4. Kristalstelsels.
Met behulp van bovengenoemde hulpmiddelen kan men elke kristalvorm
definiëren en indelen in een kristalstelsel.
Gewoonlijk worden de mineralen ingedeeld in zeven kristalstelsels:
-- kubisch.
-- tetragonaal. tetra = vier; gonia
= hoek.
-- hexagonaal. hexa =
28.2. Fysische kenmerken.
Voor het determineren van mineralen wordt er gebruik gemaakt
van een scala van fysische = natuurkundige kenmerken
van het mineraal.
De optische kenmerken en de diverse specifieke kenmerken worden,
hoewel strikt genomen ook fysisch, apart behandeld.
1. dichtheid.
2. hardheid.
sub 1. Dichtheid.
Onder de dichtheid van het materiaal verstaat men de gewichtshoeveelheid
per volumeeenheid, b.v. grammen per cm³. Men hanteert meestal
het begrip s.g. = soortelijk gewicht =
28.3. Optische kenmerken.
Optische kenmerken hangen samen met de invloed van de structuur
van het mineraal bij op- en vooral doorvallende lichtstralen.
Men maakt gebruik van de volgende optische eigenschappen:
1. Doorzichtigheid.
2. Terugkaatsing,
28.4. Diverse specifieke kenmerken.
Sommige mineralen hebben specifieke kenmerken, die determinatie
mogelijk maken.
Dat kan b.v. betrekking hebben op magnetisme,radioactiviteit,
28.5. Chemische samenstelling en
indeling van mineralen .
Dit is wellicht het belangrijkste kenmerk van een mineraal.
Door chemische kwalitatieve analyse =
bepalen uit welke elementen .
Klasse 8.
Silicaten = verbindingen met een SiO4-groep.
Vb. ZrSiO4 = zirkoon.
Granaatgroep .
Epidootgroep .
Pyroxeengroep .
Amfiboolgroep , met als voorbeeld
Hoornblende .
Glimmers .
Chlorietgroep . chloros =groen.
Serpentijngroep .
Veldspaatgroep .
met de overbekende voorbeelden: orthoklaas,
plagio
28.6. Voorkomen van mineralen.
Zoals gezegd zijn alle gesteenten opgebouwd uit
28.7. Micromounts.
Bij het zoeken zal de verzamelaar vooral belangstelling
28.8. Slakkenmineralen.
Een in populariteit toenemende rnineralenhobby is die van
het verzamelen van slakkenmineralen.
29. GESTEENTEN EN GESTEENTEVORMING.
De aarde is, evenals de maan en sommige planeten, opgebouwd
uit gesteenten.
Gesteenten zijn aggregaten =
opeenhopingen =
29.1. Stollingsgesteenten.
Stollingsgesteenten ontstaan door stolling van magma.
Magma = gesmolten gesteente in de bovenmantel
en de onderkorst van de aarde. Magma is een mengsel van silicaten
en oxiden met verschillende smeltpunten.
29.3.Concreties en secreties.
Het ontstaan van concreties en secreties valt onder diagenese.
Toch wijden we er een apart hoofdstukje aan, omdat deze
gesteenten nogal opvallend zijn. We kunnen
Fig.40. Aragoniet. Vergroting 1,2 x.
Fig.41. Achaat. Vergroting 1,2 x.
29.4. Metamorfe gesteenten.
NB: Meta = na; morphè = vorm.
Metamorfose = rekristallisatie
van gesteente op grote diepte onder invloed van veranderingen
in fysische omstandigheden, zoals temperatuur en druk.
29.5. Overige gesteenten.
Voor deze groep resteren alleen nog enkele 'buitenaardse'
gesteenten, die op de aarde
30. FOSSIELEN.
Fossielen zijn herkenbare organische resten of
sporen = resten of sporen van flora en fauna, die in
de aarde bewaard zijn gebleven.
Sommigen voegen hieraan toe 'en die ouder zijn dan 10.000 jaar'.
Dat wil dus zeggen, van vóór het Holoceen.
30.1. De studie van fossielen.
Paleontologie = de wetenschap van
fossielen = de studie van fossielen.
Het doel van de paleontologie is:
-- het bestuderen van fossiele overblijfselen.
Gidsfossielen = fossielen van organismen,
die voorkomen in voldoende aantallen in voldoende grote gebieden
en die in deze vorm betrekkelijk kort hebben geleefd. Daardoor
zijn ze geschikt voor correlatie
en relatieve datering,
30.2. Classificatie
en naamgeving van fossielen.
Taxonomie = classificatie
= systematische indeling = indeling in
categorieën aan de hand van internationaal erkende maatstaven.
Taxis = rangschikking.
30.3. Geschiedenis.
De oudst bekende classificatie is van Aristoteles
.(384-322 v.Chr).
Een klasse wordt onderverdeeld in: orde,
familie, genus (geslacht)en species (soort).
Een groep geslachten vormt een familie.
De naam eindigt op idae.
Voorbeeld: Hominidae.
Een groep families vormt een orde. De naam
30.4. Naar een moderne taxonomie.
Bovenstaand overzicht begint bij de stam van de gewervelde
dieren, maar een volledige taxonomie van de biologie begint
bij rijken.
Een regnum = rijk =
30.5. Fossielen van Rijk I: Monera.
De Prokaryoten van het rijk Monera
staan aan de basis van de ontwikkeling van alle levende organismen.
Ze zijn fossiel aangetoond in
30.6. Fossielen van Rijk II: Protista.
De Eukaryoten van het rijk
Fig.45. Hystrichosphaeridium stellatum MAIER
1959. Het immobiele ruststadium van een dinoflagellaat, zoals
dit fossiel voorkomt in de vuursteen van het Maastrichtien.
Diatomeeën zijn ééncellige algen,
die algemeen voorkomen in zout, brak en zoet water. De tweedelige
celwand bevat kiezelzuur.
30.7. Fossielen van Rijk III: Plantae
= Plantenrijk .
Het Rijk Plantae = Metaphyta
= meercellige planten,
30.8. Fossielen van Rijk IV: Fungi.
Tot het Rijk van de zwammen = schimmels
behoren organismen als gist, parasitische zwammen, truffels
en vele paddestoelen. Ze leven als saprofiet
of
30.9. Fossielen van Rijk V: Animalia
= dierenrijk.
Fossiele resten van dierlijke organismen zijn veel talrijker
Fig.51. Favosites, Devoon, Eifel.
(naar Zittel, 1915)
31. FOSSIELE SPOREN VAN LEVENDE ORGANISMEN.
In hoofdstuk 30 bespraken we fossiele resten van organismen.
De resten
31.1. Loopsporen.
Repichnia = kruipsporen, bewegingssporen,
zwemsporen.
Fugichnia =vluchtsporen.
Hieronder
31.2. Kruipgangen en boorgaten .
Hiertoe behoren b.v. Fodinichnia =
voedingsgangen en Pascichnia =
31.3. Aanhechtingssporen.
Aanhechtingssporen van organismen
zijn b.v. bekend van
31.4. Vraatsporen e.d.
Dieren die zich voeden met andere levende of dode dieren verorberen
hun prooi soms niet geheel. Dan kunnen etensresten of aangevreten
prooidieren fossiliseren.
Voorbeelden:
Er zijn zeeëgels uit het Krijt van
Zuid-Limburg bekend met vraatsporen.
31.5. Sporen van parasieten en ziekten.
Paleopathologie = ziekte bij fossiele
organismen.
Organismen kunnen zijn aangetast door parasieten of
31.6. Nesten en Holen .
Domichnia = Domichni
= woongangen = sporen
31.7. Uitwerpselen.
Uitwerpselen = afvalstoffen van de
spijsvertering van levende organismen zijn in velerlei vorm
als fossiel bekend.
Coprolieten = fossiele uitwerpselen
31.8. Gastrolieten.
Gastrolieten = Gastrolithen =
maagstenen, die
31.9. Voortplantingssporen.
Fossiele eieren zijn bekend van verschillende dieren.
Zie b.v. hoofdstuk 31.6 laatste alinea.
32. DE GEOLOGISCHE COLLECTIE.
Het opzetten van een geologische verzameling
is een bezigheid, die iedere geoloog
32.1. Verzamelen.
Voor het verzamelen van fossielen,
32.2. Preparenen en Conserveren.
Uitprepareren en conserveren doet U zo veel mogelijk thuis.
Als een vondst is gevat in gesteente kunt U thuis bekijken,
of
32.3. Determineren .
Voor het determineren van Uw vondsten is er
een schat aan literatuur beschikbaar, van eenvoudig tot zeer
specialistisch.
De NGV kan U hierbij op verschillende manieren van dienst zijn.
-- de NGV-bibliotheek bevat werken per streek en per onderwerp.
Zie adres achterin dit boek.
-- op bijeenkomsten kunt U vondsten laten determineren en kunt
U er met anderen over spreken. Er is daar altijd wel iemand,
die U zelf kan helpen of U kan verwijzen naar deskundigen, die
U vooruit willen en kunnen helpen.
32.4. Documenteren.
Zorg er voor, dat van al Uw vondsten gegevens voorhanden zijn
over de vindplaats, vondstomstandigheden e.d. Bij het uitwisselen
van gegevens met anderen en
32.5. Het bewaren van een verzameling.
Hoe U uw verzameling opbergt is
32.6. Lakprofielen .
Profielen van de wand van ontsluitingen kunnen interessant
zijn, als er laagstructuren, storingen of bodemprofielen op
te zien zijn. Deze kunt U vaak goed vastleggen in lakprofielen,
die
33. DE AMATEUR EN DE GEOLOGIE.
Er is alle reden om een stellig vertrouwen te hebben in een
nuttige samenwerking
33.1. Levenssporen.
Een amateur uit Drenthe heeft jarenlang gegevens verzameld
over levenssporen van organismen = fossiele sporen van
activiteiten van vooral dieren.
Zijn aanpak was breed. Hij betrok hierin loopsporen, boorgaten,
graafgangen, bouwen van nesten, schuilplaatsen, enz.
Over zijn werk rapporteerde hij al in 1969 in een tweetal gedegen
artikelen in 'Grondboor & Hamer'.
Een amateur uit Winterswijk verzamelde geologie.
|