Coprolieten worden ze genoemd, de fossiele, versteende uitwerpselen van dieren. Uit prehistorische tijden zijn ook uitwerpselen bekend, die weliswaar nog niet zijn versteend, maar die wel geheel zijn ingedroogd. Dergelijke uitwerpselen zijn voor archeologisch, geologisch en klimatologisch onderzoek van veel belang, want er kan uit worden afgeleid wat voor voedsel er is genuttigd, en daarom ook wat de milieuomstandigheden waren en dus ook welk klimaat er heerste. Bovendien kan op basis van C-14 de ouderdom worden bepaald.

De feces waaruit DNA is geïsoleerd
De recente vondst van dergelijke prehistorische uitwerpselen van mensen in een grottencomplex (de Paisley Grotten in de Amerikaanse staat Oregon) is zeker van belang, want hij lijkt het definitieve bewijs te leveren voor een hypothese die weliswaar steeds meer aanhangers kreeg, maar waarvoor een onomstotelijk bewijs ontbrak. Het betreft de eerste bewoners van Noord-Amerika. Lange tijd werd aangenomen dat de zogeheten Clovis-cultuur met zijn kenmerkende stenen werktuigen, de oudste was. Van deze cultuur waren restanten gevonden met een ouderdom van 13.100 jaar. Deze ouderdom was, in combinatie met de vondst van steeds jongere restanten verder naar het zuiden, een aanwijzing dat deze cultuur vanuit Oost-Siberië, via de toen (door het vanwege de ijstijd lage zeeniveau) drooggevallen landbrug in de Bering-Zee naar Amerika was overgestoken.

Deel van de Paisley Grotten waar veel archeologisch materiaal werd gevonden
Aan die theorie begonnen echter steeds meer archeologen te twijfelen, op basis van uiteenlopende argumenten. Die twijfel blijkt nu terecht, want van de 12 verzamelde uitwerpselen in de Paisley grotten blijken de zes die werden uitgekozen voor C-14 bepaling alle te dateren van 13.000 tot 14.300 jaar geleden, dus tot (maximaal) zo'n 1200 jaar voor de eerste aanwijzingen voor de Clovis-cultuur. De grotten waarin deze uitwerpselen zijn gevonden, liggen zo'n 350 km ten zuidoosten van de plaats Eugene; de 8 afzonderlijke grotten kijken uit naar het westen en zijn voor een deel te danken aan golferosie van het Chewaucan-Meer, dat destijds hoger stond dan nu.

Dennis Leroy Jenkins met een deel
van de archeologische collectie
uit de Paisley Grotten
| 
Dennis Jenkins in de Paisley Grotten,
met een fragment van een bisonbot
|
De onderzoekers hebben uit de uitwerpselen DNA geïsoleerd. Daarbij moest uiteraard zeer omzichtig worden gehandeld om verontreiniging met recent DNA te voorkomen. Daarbij bleek dat het DNA toebehoort aan de zogeheten inheemse (native) Amerikanen, en dat het hierbinnen behoort tot twee groepen die ook in Siberië en Oost-Azië veel voorkomen. Eveneens bleek dat de uitwerpselen ook DNA bevatten van vossen, wolven of prairiehonden (coyotes). Waarschijnlijk vormden die dieren voedsel voor de prehistorische mens, maar de onderzoekers sluiten niet uit dat de dieren destijds over de menselijke uitwerpselen hebben geürineerd.
Hoewel er in de Paisley Grotten veel archeologisch materiaal werd gevonden, bevinden zich daarbij geen werktuigen. Het gaat vooral om botten van grote dieren zoals kamelen, bergschapen en bisons. Het gebrek aan artefacten lijkt een extra aanwijzing dat het niet kan gaan om een groep mensen die behoorde tot de Clovis-cultuur. Archeologisch zijn er geen aanknopingspunten met andere culturen.
Referenties:- Balter, M., 2008. DNA from fossil feces breaks Clovis barrier. Science 320, p. 37.
Foto,s: Dennis L. Jenkins, Museum of Natural and Cultural History, University of Oregon, Eugene, OR (Verenigde Staten van Amerika). |