De toevoer naar de Waddenzee, via het IJsselmeer, van fosfor en stikstof - de belangrijkste elementen die bijdragen aan bioproductiviteit - die tussen 1935 en 1998 eerst sterk is gestegen maar daarna ook weer aanzienlijk is gedaald, zou weer gaan toenemen als het IJsselmeer verder zou worden ingepolderd. Dat hangt samen met de kortere verblijftijd die het Rijnwater dan in het IJsselmeer heeft. De toevoer van fosfor is in de periode 1935-1988 vertwaalfvoudigd, maar in de tien jaar daarna weer sterk afgenomen (tot een niveau van vijfmaal dat in 1935). De toevoer van stikstof begon pas in de zestiger jaren sterk te stijgen en bereikte in 1983 een hoogtepunt met een toevoer die tienmaal zo groot was als in 1965; van 1983 tot 1998 daalde het niveau weer tot omstreeks 2,5 maal zoveel als in 1965. Dat blijkt uit een reconstructie die door Wim van Raaphorst (NIOZ; vorig jaar bij een ongeluk omgekomen) en Victor de Jonge (Universiteit van Groningen) is uitgevoerd.

SATELIETOPNAME VAN EEN DEEL VAN DE WADDENZEE
Een grote toevoer van fosfor en stikstof leidt tot eutrofiëring (tot uitdrukking komend in onder meer algenbloei). Dat is de reden dat in internationaal verband maatregelen zijn getroffen om de lozing van deze elementen op het oppervlaktewater tegen te gaan. De resultaten van die maatregelen komen in dit onderzoek duidelijk naar voren. Bij de reconstructie van de lozingen op de Waddenzee hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van gegevens met betrekking tot de totale fosfor- en stikstofhoeveelheid in de Rijn aan de Duits/Nederlandse grens. De Rijn is immers, via IJssel en IJsselmeer, verantwoordelijk voor de grootste directe toevoer van Nederlands oppervlaktewater naar de Waddenzee. De gebruikte gegevens waren deels afkomstig van directe metingen (teruggaand tot het begin van de zestiger jaren), archiefgegevens over de natuurlijke niveaus in de Europese rivieren voor de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, en computer berekeningen op basis van historische scenario’s voor de periode tussen 1940 en 1960. Bij de berekeningen is rekening gehouden met veranderde zoetwaterlozingen op het IJsselmeer (uitgeslagen polderwater, kanaalwater en afvoeren van waterzuiveringsinstallaties). Er is ook rekening gehouden met de verminderde reservoircapaciteit van het IJsselmeer als gevolg van de aanleg van de diverse polders (eigenlijk: landaanwinningsgebieden) die eraan zijn onttrokken.
Mede door de landaanwinning is de gemiddelde verblijftijd van Rijnwater in het IJsselmeer afgenomen. Daardoor krijgt fosfor minder kans dan vroeger om in het bodemsediment te worden opgeslagen. Stikstof krijgt minder kans om via bacteriële omzetting (denitrificatie) als stikstofgas naar de atmosfeer te ontwijken. De gemiddelde verblijftijd van het Rijnwater in het IJsselmeer bedraagt nu zo’n honderd dagen, voordat het op de Waddenzee wordt geloosd. Zou dat verder afnemen tot bijv. 75 of 50 dagen (bijv. door aanleg van de Markerwaard), dan zou de lozing op de Waddenzee van de totale hoeveelheid door de Rijn aangevoerde stikstof en fosfor toenemen van de huidige 16% tot 18%, resp. 21%. De uitgevoerde analyse toont eveneens aan dat de verwachte toekomstige grotere aanvoer van Rijnwater door klimaatverandering, zonder evenredige uitbreiding van de inhoud van het IJsselmeer, zal resulteren in een verdere (relatief zelfs grotere) stijging van de doorvoer van stikstof en fosfor naar de Waddenzee. Daardoor zullen de maatregelen tegen eutrofiëring deels worden teniet gedaan.
Referenties:- Raaphorst, W. van & Jonge, V.N. de, 2004. Reconstruction of the total N and P inputs from the IJsselmeer into the western Wadden Sea between 1935-1998. Journal of Sea Research 51, p. 109-131.
|