|
Geologie, vroeger ook wel aangeduid als aardkunde, is
een betrekkelijk jonge wetenschap. Aanvankelijk vormde geologie
een soort op de aarde gerichte synthese van de harde
wetenschappen (vooral scheikunde, natuurkunde en biologie); daar
werd als extra factor de tijd aan toegevoegd, omdat tot de geologie
nu eenmaal ook de historische ontwikkeling behoort.
SCHOLLENTEKTONIEK
Pas in de zestiger jaren van deze eeuw is de geologie uitgegroeid
tot wetenschap met een geheel eigen karakter, vooral omdat steeds
meer modelmatig gewerkt ging worden, en omdat met die modellen steeds
meer stukjes van de legpuzzel op hun plaats vielen. Zo heeft de
theorie van de continentverschuiving een vaste onderbouwing gekregen
door het model van de schollentektoniek. Deze houdt in dat de aardkorst
(samen met het bovenste deel van de aardmantel) in een aantal schollen
is opgedeeld die ten opzichte van elkaar bewegen. Die beweging is
weer een gevolg van convectiestromen in de aardmantel, ontstaan
door de warmtestroom vanuit het binnenste der aarde. Die warmtestroom,
die een gevolg is van het natuurlijke verval van radioactieve elementen,
veroorzaakt net zulke convectiestromen in de aardmantel als er bestaan
in een pan met water boven het vuur.
Met deze continentverschuiving kunnen ook weer tal van andere verschijnselen
worden verklaard. Daarbij gaat het om verschijnselen van sterk uiteenlopende
aard, zoals gebergtevorming, vulkanisme en zelfs het optreden van
ijstijden. Doordat de samenhang tussen zoveel verschijnselen nu
is komen vast te staan, is het begrip van de ontwikkeling der aarde
sterk toegenomen. Dat heeft ook directe praktische voordelen: zo
kan de opsporing van de delfstoffen waarvan onze samenleving nu
eenmaal afhankelijk is, sneller, goedkoper en met meer succes plaatsvinden.
DE TIJDSFACTOR
Tot de meest fascinerende ontwikkelingen binnen de geologie
behoren die waarmee het mogelijk werd om gebeurtenissen te dateren.
Het is immers vrijwel onmogelijk om een goed beeld te krijgen van
de aardgeschiedenis als geheel als je niet weet of bijv. de opheffing
van de Ardennen plaatsvond voor of na de ijstijd waarin een deel
van Nederland met een dikke ijskap werd bedekt.
De mogelijkheden om te dateren waren aanvankelijk alleen relatief:
je kon vaststellen of een bepaald gesteente op een bepaalde plaats
jonger of ouder was dan een nabij gesteente. En toen eenmaal was
vastgesteld dat bepaalde fossielen steeds in dezelfde volgorde in
boven elkaar liggende pakketten voorkomen, kon je soms zelfs de
relatieve ouderdom van gesteenten in verschillende gebieden vaststellen.
Maar dat bleef behelpen.
Een grote doorbraak vond plaats toen de methode van radiometrische
ouderdomsbepalingen werd ontwikkeld. Die is gebaseerd op het feit
dat radioactieve elementen van aard kunnen veranderen, en dat ze
dat doen volgens een vast schema. Met die kennis werd het mogelijk
om voor veel gesteentepakketten, ook al dankzij een steeds verder
gaande ontwikkeling van de dateringsmethoden, de absolute ouderdom
vast te stellen. Door die gegevens dan weer te koppelen aan het
voorkomen van fossielen, is het nu mogelijk om voor het merendeel
van de gesteentepakketten de ouderdom vast te stellen. Zo weten
we nu dat de aarde zon 4,7 miljard geleden is ontstaan, dat
de vaste aardkorst zon 4,3 miljard jaar oud is, dat het eerste
leven waarschijnlijk zon 4 miljard jaar oud is, dat het leven
van dieren met een schaal of skelet zich ongeveer 600 miljoen jaar
geleden explosief ontwikkelde, dat er 65 miljoen een massaal uitsterven
plaatsvond door de inslag van een enorme meteoriet, dat zon
2 miljoen jaar geleden een periode begon met een afwisseling van
ijstijden en interglacialen, en dat de (voorlopig?) laatste ijstijd
zon 10.000 jaar geleden eindigde.
|
ERA
|
PERIODE
|
OUDERDOM
(in miljoen jaar)
|
|
Cenozoicum
|
Kwartair
|
0 - 2
|
|
Tertiair
|
2 - 66
|
|
Mesozoicum
|
Krijt
|
66 - 144
|
|
Jura
|
144 - 208
|
|
Trias
|
208 - 245
|
|
Paleozoicum
|
Perm
|
245 - 286
|
|
Carboon
|
286 - 360
|
|
Devoon
|
360 - 408
|
|
Siluur
|
408 - 438
|
|
Ordovicium
|
438 - 505
|
|
Cambrium
|
505 - 570
|
|
Proterozoicum
|
Precambrium
|
570 - 2.500
|
|
Archaeïcum
|
2.500 - 3.800
|
|
Hadean
|
3.800 - 4.600
|
Geologische tijdschaal (bron: www.fossiel.net)
En dat is uiteraard maar een minieme fractie van de
kennis die we inmiddels over de ontwikkelingsgeschiedenis van de
aarde hebben opgedaan. Net als bij veel andere wetenschappen neemt
de snelheid waarmee onze kennis vermeerdert bovendien steeds sneller
toe, en komen we steeds meer details aan de weet die tegelijk bewijzen
dat ons aanvankelijk vrij simpele beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis
onjuist is: talrijke processen speelden voortdurend gelijktijdig
en beïnvloedden elkaar, zoals dat ook in de menselijke maatschappij
het gevolg is.
DEELWETENSCHAPPEN
Al in de vorige eeuw werd duidelijk dat voor een goed begrip
van de aardgeschiedenis onderzoek moet worden gedaan met verschillende
methodes. Daardoor ontstonden deelwetenschappen. De belangrijkste
daarvan zijn: de tektoniek (ook wel structurele geologie genoemd),
die zich bezighoudt met vervormingen van gesteenten, zoals dat onder
meer plaatsvindt bij gebergtevorming; de stratigrafie, waarbij de
opeenvolging van lagen wordt vastgesteld; de paleontologie, die
zich bezighoudt met fossiele resten van zowel planten (paleobotanie;
inclusief het onderzoek van pollen en sporen: palynologie) als dieren
(paleozoologie); de sedimentologie, die zich bezighoudt met het
milieu waarin gesteenten zijn gevormd en met de processen die daarbij
een rol speelden; de mineralogie, die zich bezighoudt met de vorming,
samenstelling en classificatie van mineralen (met daarin begrepen
de kristallografie, die zich specifiek richt op kristallen en hun
vorming); en de petrologie die datzelfde doet met de uit mineralen
opgebouwde gesteenten.
Inmiddels zijn er tal van verdere onderverdelingen gekomen, vaak
op het raakvlak met andere wetenschappen; te denken valt onder meer
aan de paleobiochemie, geochemie, geofysica, hydrogeologie en mariene
geologie. Mede door de inbreng van kennis uit wiskunde, sterrenkunde,
chemie, fysica en biologie blijft geologie zo te beschouwen als
een soort synthese van alle natuurwetenschappen, met de aarde als
onderzoeksobject.
De geologie van Nederland in vogelvlucht
Nederland is geologisch gezien een jong land. Ons land is hoofdzakelijk
opgebouwd uit tertiaire en kwartaire afzettingen. Daarbij speelden
de laatste ijstijden een grote rol. De zandverstuivingen van de
Veluwe bijvoorbeeld zijn in de ijstijden gevormd. Zwerfkeien, in
het noorden en oosten van ons land en rond het IJsselmeer, zijn
door de gletsjers vanuit Scandinavië naar ons land getransporteerd.
De oudste aardlagen in Nederland dagzomen in Limburg. Op enkele
plaatsen zijn hier Carboonlagen ontsloten. Hier waren vroeger de
kolenmijnen. Limburg is verder vooral bekend om de Krijtformaties.
Deze komen nabij Maastricht aan het oppervlak. Er is zelfs een Tijd
naar deze stad genoemd: het Maastrichtien. Zowel het Krijt als het
Carboon is fossielrijk. In de Pietersberg werd eertijds in de Krijtformaties
de eerste Mosasaurus gevonden. In de omgeving van Winterswijk wordt
fossielrijke Muschelkalk uit het Trias gevonden. Zowel in de ENCI-groeves
(Krijt) als in Winterswijk (Trias) zijn voor Nederlandse geologieamateurs
en professionals geliefde vindplaatsen van fossielen. Een locatie
die we zeker ook moeten noemen is Cadzand. Hier kunnen op het strand
naast fossiele haaien- en roggentanden ook fossiele mollusken, zoogdierresten
en krabben gevonden worden.
Als we het over de geologie van ons land hebben, dan mogen we zeker
ook fossiele brandstoffen, zoals olie en aardgas niet vergeten.
Dan is er nog het zout dat in Twente en de omgeving van Delfzijl
uit de grond gehaald wordt. Dit zijn vooral de werkvelden voor beroepsgeologen.
Net over onze grens in Duitsland ligt de Eifel. Deze vulkanen uit
het Tertiair en Kwartair leveren veel prachtige mineralen en de
mariene afzettingen gevormd tijdens het Devoon fossielen. Ook in
de Ardennen worden fossielen gevonden. De Eifel en de Ardennen vormen
dan ook geliefde uitgangspunten voor excursies van onze afdelingen
of vakantiebestemmingen voor hen die er zelfstandig op uit trekken
om te zoeken.
Al met al, geologie levert een boeiende bezigheid op. U kunt gaandeweg
de geheimen van moeder aarde ontrafelen. En of u nu fossielen of
mineralen gaat verzamelen of alleen in de algemene geologie geïnteresseerd
bent of zich beroepshalve met deze wetenschap bezighoudt:
VERENIGINGEN EN MUSEA
De Nederlandse Geologische Vereniging (NGV), waarvan u op dit
moment de internet site raadpleegt, verenigt alle belangstellenden
in geologie. De vereniging geeft 6x per jaar het eigen tijdschrift
Grondboor & Hamer uit, waarin een breed scala aan geologisch
getinte onderwerpen voorkomt. Onregelmatig verschijnen in de Staringia-serie
speciale uitgaven waarin specifieke onderwerpen op een (semi)-wetenschappelijke
manier worden behandeld. Veelal betreft het hier het resultaat van
specialistisch onderzoek van geologie-amateurs die het resultaat
van hun werk toegankelijk willen maken voor anderen.
Andere verenigingen op geologisch gebied zijn, onder andere, de
Stichting GEA en de Werkgroep voor Tertiare en Kwartaire Geologie
(WTKG). Deze en andere soortgelijke verenigingen beperken zich veelal
tot een van de deelgebieden van de geologie.
Met betrekking tot geologische collecties in musea moet in de eerste
plaats het nieuwe natuurhistorische museum in Leiden, Naturalis,
worden genoemd. Vooral de schatkamer in dit zeer fraai
opgezette museum trekt veel bezoekers. Andere musea met bekende
collecties zijn het Natuurhistorisch Museum Maastricht, het Natuurhistorisch
Museum in Groningen, Natura Docet Denekamp en Oertijdmuseum de Groene
Poort te Boxtel. Het is niet de bedoeling dat met deze korte opsomming
andere musea met geologische collecties te kort worden gedaan.
|