|
DE STUDIE VAN FOSSIELEN, CLASSIFICATIE en NAAMGEVING
Bron: Kraaijenhagen. F.C. 1992. Geologie in Telegramstijl.
Fossielen zijn herkenbare organische resten of sporen van flora
en fauna, die in de aarde bewaard zijn gebleven en die ouder zijn
dan 10.000 jaar. Dat wil dus zeggen van vóór het Holoceen.
Fossielen kunnen op verschillende manieren uit een organisme ontstaan:
-
als complete organismen of als harde delen van organismen,
al dan niet versteend. Verstenen is een vorm van versteviging
door binnendringende mineralen.
- afdrukken; dit zijn sporen op of in omringend gesteente.
- steenkernen; dit zijn sporen op binnengedrongen gesteente of
afdrukken van interne structuur
- vervanging; het organische materiaal is vervangen door bijvoorbeeld.
kiezelzuur of pyriet, waarbij de vorm bewaard is gebleven. Een
variant hierop is inkoling = carbonisatie = omzetting in en verrijking
van koolstof, zoals bijvoorbeeld bij steenkool.
-
indirecte sporen; voorbeelden zijn: graafgangen, vraatsporen,
voet- of kruipsporen, boorgaten van mosselen.
Een voorwaarde voor fossilisatie, het ontstaan van fossielen, is
over het algemeen een snelle bedekking met sediment of andere conserverende
omstandigheden. Goede en gave fossilisatie is uiterst zeldzaam.
Dat we toch nog zo enorm veel fossielen aantreffen, is te danken
aan het onnoemelijk grote aantal organismen, dat heeft geleefd in
de onvoorstelbaar lange geologische geschiedenis van de aarde.
De overigens schaarse puntgave fossielen zijn te danken aan het
procentueel zeer kleine aantal bijzondere gevallen, zoals het invriezen
in ijs, dat bewaard is gebleven als permafrost en het inkapselen
in barnsteen of pek.
Ook kan een organisme voor kortere of langere tijd worden geconserveerd
onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld. door droogte
= mummificatie of door anaërobe = anoxisch omstandigheden, m.aw.
onder afsluiting van zuurstof.
Het bestuderen van fossiele fragmenten kan een grote bijdrage leveren
tot de kennis van organismen.
Hierbij zijn er twee mogelijkheden:
-
a. de gevonden fragmenten kunnen op zichzelf aanwijzingen bevatten,
die van belang zijn.
-
b. wanneer de fossiele vorm van het geheel bekend is, dan kan
een fragment door vergelijking vaak worden toegewezen aan een
soort.
Fossielen worden onderverdeeld in vier groepen:
DE STUDIE VAN FOSSIELEN
Paleontologie, de wetenschap van de studie van fossielen, heeft
als doel:
Een belangrijk hulpmiddel bij het vaststellen van een geologische
tijdschaal zijn de gidsfossielen.
Dit zijn fossielen van organismen, die in voldoende aantallen voorkomen,
in gebieden die voldoende groot zijn en in deze vorm betrekkelijk
kort hebben geleefd.
Hierdoor zijn ze uitermate geschikt voor correlatie en relatieve
datering, respectievelijk voor het vaststellen van gelijktijdigheid
van pakketten gesteenten.
Belangrijk hierbij is dat het gevonden materiaal in situ ligt;
met andere woorden op zijn originele plaats.
CLASSIFICATIE EN NAAMGEVING VAN FOSSIELEN
Taxonomie = classificatie = systematische indeling van fossielen
in categorieën aan de hand van internationaal erkende maatstaven.
Taxis is rangschikking. Een taxon is een aanduiding voor een natuurlijke
officieel erkende groep organismen naar familie, geslacht en soort.
Nomenclatuur is (wetenschappelijke) naamgeving.
Systematische paleontologie is de tak van de paleontologie, die
zich bezighoudt met beschrijving, naamgeving en Classificatie van
fossielen. Voor fossielen betreft dit vooral visuele, anatomische,
fysische en chemische maatstaven. Er is echter ook een samenhang
met evolutie, ecologie = milieu = leefomgeving, genetica = ontstaansgeschiedenis
= erfelijkheid, gedrag en vergelijkende fysiologie.
Het doel van classificatie is tweeledig: indeling in natuurlijke
groepen en identificatie.
Om een indeling effectief te kunnen gebruiken worden er namen gegeven.
Om hierbij misverstanden uit te sluiten, behoren hierbij beschrijvingen,
definities en type-exemplaren.
Zo is een holotype = type-exemplaar het exemplaar van een soort
of geslacht, dat door de naamgever is beschreven als type, met de
kenmerken van de soort of het geslacht en wordt bewaard op een toegankelijke
plaats. De naam is in het Latijn of gelatiniseerd.
In het spraakgebruik blijft het wel eens vaag, wat er met een naamaanduiding
en met verwantschap tussen soorten precies wordt bedoeld. Daarom
hebben biologen al vroeg getracht een internationale formele Classificatie
= taxonomie op te stellen, die kon dienen als basis voor een internationale
nomenclatuur.
De Zweed Linnaeus (1707-1778) publiceerde in 1758 een indelingssysteem,
dat geldt als basis voor de moderne botanische en zoölogische nomenclatuur.
Zijn binaire nomenclatuur, een stelsel van tweedelige namen, was
van blijvende waarde. Dit stelsel, dat nog steeds gangbaar is, werkt
als volgt:
de namen van fossielen geven over het algemeen een geslacht, in
het Latijn genus aan, gevolgd door de soort/ species. Voorbeeld:
Equus (paard) caballus.
De naam van een genus wordt altijd met een hoofdletter geschreven
en die van een soort met kleine letter. Beide termen worden cursief
of onderstreept aangegeven. Equus caballus.
Als uit de resten niet is vast te stellen, met welke soort binnen
een geslacht we te maken hebben, dan gebruiken we de geslachtsnaam,
gevolgd door species; afgekort sp. Voorbeeld: Equus sp.
Soms wordt achter een soortnaam ook nog een ondersoort = ras aangegeven.
Voorbeeld: Homo sapiens neandertalensis of Homo
sapiens sapiens.
Wanneer er wordt getwijfeld aan de soortnaam worden de letters cf.
er voor gezet. Equus cf. caballus.
Ook voegt men wel de naamgever toe, met het jaartal, waarin de
naam aan het fossiel werd gegeven. Dit is van belang, als aan een
zelfde soort tweemaal of meer een naam wordt gegeven. Zodra blijkt,
dat men met een zelfde soort te maken heeft, dan heeft de oudste
naam voorrang volgens de prioriteitsregel. Euaspidoceras hypselum
OPPEL 1863.
HET ARCHIVEREN VAN GEVONDEN FOSSIELEN
980103 33 000000 BRA03 Dalmanellidae. Aulacella prisca.
VERNEUIL
Wij bieden onze leden die fossielen willen archiveren hiervoor
een systeem aan, dat als volgt te werk gaat:
1. vindplaatsen worden vastgelegd,
2. fossielen van een nummer voorzien
3. en geregistreerd.
1. VINDPLAATSEN VASTLEGGEN.
Begonnen wordt met het vastleggen van bezochte vindplaatsen in:
bestand registratie vindplaatsen.
Deze worden voorzien van een nummer bijv. 980100, dat uit drie delen
is opgebouwd:
98 heeft betrekking op het jaar 1998 waarin vindplaats is bezocht.
01 geeft de volgorde van de aangedane vindplaats aan.
00 geeft de volgorde van het beschreven fossiel per vindplaats aan.
Dit nummer wordt gevolgd door de naam van de vindplaats en het
land. Vervolgens de kaart waarop deze plaats is te vinden met vermelding
van de coördinaten te beginnen met de breedte bepaling en daarna
de lengte. (Het is raadzaam voor ieder type kaart een tabel te maken
met een verdere onderverdeling van de coördinaten.)
Daarna volgt een regel met de geologische tijd.
De vindplaatsgegevens en eventuele ervaringen worden na de datum
vastgelegd.
Voorbeeld:
980100. Gerolstein. Duitsland. Top. Karte L 5706. 55 65,8N-25 47,8W
Devoon-Givetien-Stringocephalenschichte. [Trichter].
1 april 1998. De vindplaats betrof een bouwplaats aan de weg Gerolstein-Pelm.
Er werd driftig naar trilobieten gezocht, doch wat werd gevonden
waren koralen en brachiopoden.
2. FOSSIELEN VAN EEN NUMMER bijv. 980101 VOORZIEN.
De laatste twee cijfers hier 01 staan voor het eerste op deze vindplaats
gevonden fossiel.
Men maakt op het schoongemaakte fossiel een plaatsje vrij waar met
een heel fijn vlak penseeltje van 2 mm. een wit streepje wordt gezet.
Goede ervaring met acrylverf titaanwit REMBRANDT van Talens no 105.
Met water verdunnen. Dun opzetten en indien nodig enkele malen herhalen.
Vervolgens met een "PILOT" viltstift SW-DR-01 0,28 mm
kleur zwart of een "PILOT" gelpen BL-G-TEC C4 0,2 mm.
het nummerplaatsen. Met een loupe kan dit heel klein. Aflakken met
nagellak.
3. FOSSIELEN REGISTREREN.
Na nummering wordt het fossiel vastgelegd in: bestand registratie
fossielen, waarbij kolom 4 eventueel kan worden weggelaten.
980100 GEROLSTEIN. DUITSLAND
980101 33 302298 BRA09 Atrypidae................Spinatrypa cf.
aspera........V
980102 33 302109 CNA17 Cyathophyllidae.......Cyathophyllum sp..............D
980103 33 000000 BRA03 Dalmanellidae.......... Aulacella prisca
VERNEUIL...V
980104 33 000000 CNA31 Pachyporidae......... Thamnopora sp.................O
opm. .....zijn niet zichtbaar!
kolom 1. Bevat de zes cijfers.
kolom 2. Geeft de geologische tijd aan waaruit het fossiel komt.
Iedere tijd is vertaald in een nummer. De koppeling is terug te
vinden in: bestand geologische tijden.
kolom 3. Die eerste drie cijfers geven aan in welk boek of tijdschrift
het fossiel is beschreven en het tweede blok van drie cijfers de
betreffende pagina. Hiervoor in: bestand literatuur een
literatuurlijst aanleggen.
kolom 4. Deze code geeft de orde / onderorde van het fossiel aan.
De totale opbouw van de Rijken onderverdeeld in stammen, klassen
en orden is terug te vinden in: bestand fylum.
kolom 5. In deze kolom worden de families aangegeven naar TREATISE
waarin de genera (geslachten) en species (soorten) zijn ondergebracht.
kolom 6. In deze kolom wordt het betreffende genus met de bijhorende
species cursief angegeven en de auteur in kapitalen.
kolom 7. Hierin aangeven waar de fossielen zich bevinden, bijv.:
V=vitrine, O=opbergsysteem, D=doos, U=uitgeleend enz.
De bestanden zijn opgezet in Microsoft Word97. Het bestand registratie
fossielen met de volgende instellingen: pagina A4 met links en rechts
1 cm vrije ruimte. tabs op 1,25 - 1,75 - 3,00 - 4,25 - 7,70 en 18,25cm.
in en uitzoomen 95%, lettertype standaard Tahoma 9
Om registratie fossielen te sorteren naar: tabel - sorteren-opties-.tabs
- vervolgens naar tekst sorteren-sorteren op veld naar keuze. copyright
g.brouwers
Genoemde bestanden kunnen door leden van de N.G.V worden opgevraagd.
|